Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een ,geloovig zieltje', meneer pastoor!" en giechelend kroop een jongensgedaante uit de bloemenstruiken van den pastoralen tuin. Pastoor Silberhaar was sprakeloos van verbazing, tot de jongen naar hem toekwam en hem ondeugend zijn smoezelige hand toestak.

Meneer pastoor kon in het donker niet goed zien: „Nee maar, is dat ?"

„Trotzli, meneer pastoor! En dat is een ,geloovig zieltje', dat ik voor het

,Dagblad' heb gemaakt, omdat ik uw laatste preek zoo mooi vond. De andere geesten liggen achter den toren, ik heb ze weer uitgeblazen. . . . het zijn groote pompoenen, die we van baas Moosegg hebben gekregen...."

Meneer pastoor wist niet goed, of hij moest lachen of mopperen; in ieder geval wilde hij het niet te hard doen, want uit de wachtkamer klonk heel godvruchtig en wondermooi driestemmig: „Heer, geef hun de eeuwige rust — En het eeuwig licht verlichte hen!"

„Jij, drommelsche kwajongen, aartsbandiet,.... weet jij dan niet, dat je met dooden en heilige zaken niet mag spotten?"

„Ja, ja, meneer pastoor, maar ik dacht zoo: de drie

....Op den hckpaal flakkerde ook zoo'n spookachtig licht.

Sluiten