Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kletstantes die spotten veel erger... en dat wilden wij ze afleeren. Is dat dan niet goed, meneer pastoor?"

Meneer pastoor moest Trotzli van heimelijke vreugde een oorvijg geven, maar Trotzli merkte wel, dat het een suikerzoete was, die men uit genegenheid geeft. Vlug liep hij naar de tuinhaag en doofde daar de laatste „geloovige ziel" uit: „Die geef ik

Jij, drommelsche kwajongen, aartsbandiet!" u gjj aandenken, meneer

pastoor. Maar de uil mag ik nog even in den toren laten, hé, tot de drie juffers naar huis zijn? En als u hem weer eens noodig hebt, moet u het maar zeggen!".... En weg was hij.

Den volgenden morgen lag naast Trotzli's kopje koffie een groot stuk koek, een nieuwe rozenkrans en een mooi plaatje „van de dankbare ,geloovige zielen'. . . ."

Sluiten