Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Een kwajongensstreek.

„Dèt mag niet! Néé, d&t mag niet!"

Hans zegt het haastig. Hij heeft zich wat voorovergebogen en zijn vinger wijst dreigend naar Piet. Midden in het bleekveldje staat Hans.

Piet is over 't lage heggetje heengesprongen en staat op 't grasrandje daarachter. Dat grasrandje is smal, want 't loopt langs een droge sloot. En de scheve slootkant is begroeid met wild struikgewas.

Piet lacht plagerig. Hans krijgt er een kleur van. Die Piet kan zo vals doen. Echt v&ls. Nu hadden ze afgesproken, dat ze op 't bleekveldje, binnen het heggetje zouden blijven en nu was Piet er tóch over gesprongen.

Dat kwam zó.

Ze waren aan 't spelen. Een leuk, wild spelletje.

Hans was een beer. Een brommende, bruine beer. Op handen en knieën kroop hij door 't bleekveldje, terwijl hij dreigende keelgeluiden uitstootte.

En Piet was een verdwaalde reiziger. Ongewapend was hij op een bergweide gekomen, hoog in de Pyreneeën. Daar had meester laatst van verteld.

Angstig liep Piet, de reiziger, heen en weer, de woeste beer telkens vlak achter zich.

Toen had de beer den reiziger stevig bij zijn been gepakt. Met een wilde ruk had die zich losgetrokken, zó heftig, dat de beer duidelijk „au!" gezegd had.

Maar de reiziger was op zijn twee benen vlugger dan de beer op vier, en bovendien wipte hij zó maar over 't heggetje.

Daarom hadden ze afgesproken, dat je niet over 't heggetje mocht. Dat waren onoverkomelijke Pyreneeëntoppen, had Hans vastgesteld, met moeite dat lange woord uitsprekend.

Nu werd het voor den reiziger gevaarlijker. De beer schudde wild met zijn kop en deed vervaarlijke zijsprongen. Dan inééns de beslissende sprong.... mis! De reiziger, die nergens redding zag, stond meteen aan de andere kant van 't heggetje, zó maar over de bergtoppen heen.

Sluiten