Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Waar?" Hans kruipt er ook heen. Op hun knieën liggen ze nu bij de egel, die zich tot een dreigende stekelbal heeft ineengerold.

„Blijf van me af," zeggen al die puntige priemetjes.

Maar Piet blijft niet van hen af. Hij grist wat droge bladeren in zijn handen en schuift de egel er in. Voorzichtig kruipend komt hij nu boven. Op 't smalle grasrandje zet hij hem neer.

De egel steekt even z'n spitse varkenssnuitje uit, voorzichtig verkennend, waar hij ergens terecht gekomen is.

Hans ligt er vlak bij.

Wat moet die egel met zijn donkere, glimmende oogjes nu denken ? Dat twee reuzen hem gevangen hebben? Hans probeert zich voor te stellen hoe de egel nu hen en de omgeving ziet.

„Dèr," zegt Piet eensklaps. Hij tikt de egel juist op z'n neus.

Op 't zelfde ogenblik ligt er weer de bewegingloze, dreigende stekelbal.

„Hè, niet doen, da's flauw," vindt Hans.

Om Piets mond is weer dat lelijke lachje.

„We nemen hem mee," beslist Piet dan ineens. Hij schuift de egel voorzichtig op zijn arm. „Kom mee," zegt hij tegen Hans.

Half onwillig volgt Hans.

„Laat dat beest nou lópen," zegt hij nog, maar Piet doet alsof hij 't niet hoort.

Ze lopen langs 't smalle grasrandje, achter de bleekveldjes van de buurt. Dat komt uit bij het hek van 't weiland, achter de droge sloot. Daar is een korte zandweg naar de straat, vóór de huizenrij.

De straat ligt er vredig en stil, deze zonnige vacantiemorgen.

Een slagersjongen fietst fluitend voorbij en een bakker duwt zijn broodkar voor zich uit, om zijn klanten te bedienen.

Er klinkt wat gelach van spelende kinderen uit de tuintjes of bleekveldjes échter de huizen.

De bakker houdt zijn kar in.

Hier woont een klant. Hij duwt het zware deksel omhoog en Zet het vast. Een heerlijke geur van versgebakken brood stijgt uit de volle kar op. Een geur, waarvan je honger zou krijgen.

Een houten doos met gebakjes staat vóórin.

Wit een heerlijkheden.

Vlug bedient de bakker zijn klant. Met een lege gebak-doos komt hij terug. Die zet hij naast de volle.

„Floep!" valt het deksel weer dicht en verder rijdt de kar, naar een volgende klant.

Bakkers zijn altijd gehaast.

Piet en Hans zijn vlug doorgelopen. Als de bakker weer bij een klant is, zijn zij bij de broodkar.

Sluiten