Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mevrouw straks een puddinkje wil klaarmaken voor de kleine jongejuffer. Een verjaringspuddinkje!

„Weg Juup," zegt ze tegen den groten, oranjekleurigen kater, die langs haar benen strijkt.

„Jupiter" heeft dokter hem genoemd. Zij noemt hem Juup. En nu noemen ze 'm allemaal al zo.

Ze kijkt even naar de klok. Zo meteen zal de bakker wel komen. Hoort ze daar 't rammelen van de wielen van z'n kar al niet?

Mientje drukt haar neusje stijf tegen de vensterruit.

De bakker heeft de kar stilgehouden, 't Deksel doet hij open. Hij buigt zich voorover.

Hè, 't lijkt Mientje toe, of die vlugge bakker vandaag alles erg langzaam doet. Ze kan niet zien wat hij nu uitvoert, want hij staat achter 't omhooggezette deksel.

De bakker denkt even. Welke taartendoos was 't ook weer?

Even voelen. Ah, déze voelt zwaar, dat is dus de lege niet. Hij neemt 'm mee, zet het mandje met wittebrood er bovenop, 't witte kleedje er over.

Ha, nü ziet Mientje het.

Er is een taartendoos bij. Ze heeft 't héus goed gezien. Wèt fijn. Ze klapt in haar handjes.

Bob en Bram kijken op. Mientje gaat vlug naar hen toe. De bakker belt aan.

Kaatje loopt door de gang.

„Hoor es Bob," zegt Mientje gewichtig, „Mientje is jarig en nu trakteert ze straks. Dan krijg jij ook een taartje."

Bob kijkt wat ongelovig.

„Heb jij taartjes?" vraagt Bram.

„Nóu!" zegt Mientje geheimzinnig, „een heleboel. Maar met vertellen, hoor."

Bram lacht wat. „Niks van waar," zegt hij. Mientje is ruim twee jaar ouder dan Bob en Bram. En ze maakt de jongens wel eens wat wijs.

„Denk om mijn hoge toren," waarschuwt Bob dan. Maar 't is al te laat.

Als Mientje er per ongeluk tegenaan stoot valt hij kletterend over 't vloerzeil.

„Toe!" zegt Bob boos.

Bram wil beginnen te huilen.

„Stil maar, stil maar," troost Mientje haastig. „Mientje zal 'm wel weer opbouwen. Kijk, zó mooi maak ik hem. Dit zijn de raampjes en dit is de deur."

Sluiten