Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zal de tweelingen vlug even hun tuinpakje aantrekken, dan kunnen ze gaan ravotten.

„Ha," zegt ze, als ze de kamer binnen komt, „zijn jullie zo lief aan 't spelen? Wat een prachtige toren! Maar nü naar buiten, hoor!"

„Zeg moes, mag ik straks trakteren?" vleit Mientje.

„Kindje, waar dit van ? Ik heb niets besteld hoor," plaagt mevrouw.

„Maar zou de bakker niet wat gebracht hebben, moes?"

„Misschien wel taartjes," zegt Bob.

Mevrouw lacht.

„Toe moes, zal ik Kaatje eens vragen?" dringt Mientje.

„Toe, dan maar," geeft mevrouw zich gewonnen.

Er wordt juist op de deur geklopt. Daar is Kaatje al.

„Mevrouw, de bakker heeft óók wat gebracht, 'k Heb 't in de keukenkast gezet."

„Dan zullen we es kijken," vindt mevrouw en met z'n vijven gaan ze de gang door.

„Weg Juup," zegt Mientje haastig, want poes zit vlak voor de kast.

Kaatje doet de deur open. Ze buigt zich voorover, maar blijft dan plotseling verschrikt staan.

Ze krijgt een kleur. Is ze zó slordig geweest ? Het deksel ligt half van de doos geschoven.

„Hoe kan dèt!" zegt ze verwonderd.

Maar nog groter is haar schrik als ze de doos op tafel zet.

„Die is léég," zegt mevrouw.

„Oóóhh," zucht Mientje teleurgesteld, „hoe kan dat, moes?"

Kaatje zegt: „Nou, dit begrijp ik helemaal niet, mevrouw, 't Deksel zat er goed op, toen ik 'm aankreeg en nadien is er geen mens in de keuken geweest."

„Heeft Juup het gedaan?" veronderstelt Bob.

„Hij zat vlèk voor de deur," bevestigt Bram.

Allen kijken ze naar Juup.

Likte die z'n snorren?

„Nee, dat kan niet!" zegt mevrouw.

„Juup komt nooit in de kast, mevrouw," zegt Kaatje.

„Thor dan," meent Bram.

Thor, de zwarte bouvier, ligt rustig voor zijn hok.

„Ben je mal, jongen!" lacht mevrouw, „hij heeft vast de verkeerde doos gegeven. En nu staat de volle doos nog in zijn kar."

„Maar hij voelde anders zwaar genoeg, mevrouw," werpt Kaatje nog tegen.

Mevrouw ziet Mientjes teleurgesteld gezicht. En de begerige ogen van de tweelingen. En de lege taartendoos.

Sluiten