Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Hans boodschap voor den bakker.

„Ha-èns!"

Moeder staat in de achterdeur.

Hans ligt op zijn knieën in de tuin. Er zat zoveel onkruid in de moestuin, vond hij. Hij kon best even gaan wieden. En Piet is met de vrachtauto weggereden; hij is nu toch alleen.

Hij hoort moeder roepen.

„Ja, moe, ik kom!"

Vlug slaat hij 't zand van z'n knieën en staat op.

„Zeg Hans, weet je ook, of bakker Meelman al in de straat geweest is?" vraagt moeder.

Hans schrikt. Zijn moeder kan toch niets hebben gezien van die egel?

Moeder kijkt hem aan. „Wat is er, scheelt er wat aan?" vraagt ze.

„Néé, moe," zegt Hans haastig, „de bakker is al geweest. Zopas, toen 'k met Piet vóór was."

Moeder heeft het druk. Ze ziet niet dat Hans een kleur krijgt. En Hans gaat vlug voorover staan, om nóg eens 't zand van z'n knieën te wrijven.

„Wil je dan even 'n boodschap bij hem doen?"

Moeder geeft Hans al vast de beurs en zegt wat hij halen moet.

„Voortmaken hoor!" roept moeder hem nog na. Hans zet het op een drafje, maar even later loopt hij al minder vlug.

Hè, even had hij gedacht, dat moeder het wist. Waar zou die egel nu gebleven zijn ? Misschien heeft de bakker 't al lang gemerkt, en 't beest uit de wagen gegooid.

Als hij 't maar niet geschópt heeft. Hij kan best bóós geworden zijn.

't Arme beest ligt nu misschien wel ergens half dood in een steegje.

En dan is 't ook mee zijn schuld!

Hans loopt M langzamer.

Meester had laatst verteld over dierenbescherming, bedenkt hij verder. Toen had hij gezegd, dat hij jongens, die 't voor geplaagde dieren durfden opnemen, flink en dapper vond. Hij had een prachtig

2 't Kwam van die egel.

Sluiten