Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toch waar," gaat Bram door, „de pootjes zaten bij 't kopje op 't buikje."

„Hahaha," lacht dokter nu, „maar vertél dan toch!"

Nu vertelt mevrouw wat er gebeurd is.

Hans beeft van ongeduld. Kon hij nu toch maar wegkomen. Moeder wacht en straks vraagt dokter misschien ook nog waar die egel vandaan kwam. Hij doet al een paar stappen in de richting van de schutting.

„Dus," zegt dokter nu ineens — en hij slaat Hans op de schouder — „jij hebt mijn vrouw en kinderen het leven gered, door dat gruwelijk monster te overweldigen. Jij bent een héld!"

Hans lacht even. Maar 't is een verlegen lachje. Want door die grappige, overdreven woorden van den dokter, klinkt hem 't woord held als een verwijt in de oren. Meester had 't ook over helden gehad en hij, Hans, was juist 't tegenovergestelde geweest.

„Nou, wat kijk je benauwd," zegt de dokter, „gelóóf je me niet? Hij heeft wat verdiend, vrouw," knikt hij meteen tegen mevrouw.

„Ach ja," zegt mevrouw, „dat zou ik nog haast vergeten, door al de herrie."

„Mientje, trakteer jij onzen vriend Hans even."

Ze wil met Mientje vlug in huis gaan om wat lekkers te halen. Maar nu wordt 't Hans te machtig. Zal hij nu óók nog wat van mevrouw krijgen? Als ze eens wisten, hoe de egel hier terecht gekomen was. Moet hij 't zéggen?

Maar dat durft hij lang niet.

En moeder, wat zal moeder zeggen?

„Ik moet nog een boodschap voor moeder doen, dokter," zegt hij dan ineens. „Mag ik wel gaan nu, want moeder wacht al zo lang op mij, dokter."

„Kerel," zegt dokter, „had dat eerder gezegd. Je móéder mag je nooit laten wachten. Maar je bént nu zeker al te laat, door die egelgeschiedenis. Maar weet je wèt....!"

Mevrouw en Mientje zijn teruggekomen. Mientje houdt een reep chocolade in haar hand. „Asjeblieft, Hans," zegt ze.

„Die Mientje is jarig vandaag. Je mag haar wel feliciteren ook," vertelt de dokter.

Nu wordt Hans nog meer verlegen. Moet hij dat mooie, kleine meisje nu een hand geven? „Wel gefeliciteerd, Mientje," zegt hij dan maar.

Dokter vertelt nu aan mevrouw, dat Hans' moeder wacht op de boodschappen en zegt dan: „Nu ga ik hem maar even met de auto thuisbrengen. Die staat nog voor."

Hans schrikt er van.

Sluiten