Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

Wat vader zei.

„Waar Héns nu toch blijft."

Zopas heeft moeder al even in de voordeur staan kijken. Nu is ze weer bij 't fornuis bezig.

Pff, je zou er warm van worden. Dat die jongen nu niet beter vóórt maakt, moet ze aldoor denken.

De pruimen koken pruttelend. Grillige dampsliertjes ontsnappen langs de dekselrand. Moeder licht het deksel wat op. Het andere eten is ook zo goed als klaar. Als „dessert" lusten de jongens zo graag geweekt wittebrood met pruimen. Wat boter en een schepje suiker er over. Dan smullen ze.

Kwam Hans nu maar met het oude wittebrood, waarom ze hem uitgestuurd heeft.

Moeder kijkt voor de zoveelste keer op 't keukenklokje, 't Is bijna etenstijd en nog is Hans er niet. Ze gaat nog even vóór kijken.

Meteen hoort ze gestommel in 't bijkeukentje. Ze loopt terug. Zou hij daar wezen? 't Zijn Broer en Ger, hun hongerige maagjes hebben hen al gewaarschuwd dat 't haast etenstijd is.

„Is Hans niet bij jullie?" is 't eerste wat moeder vraagt.

„Nee, moe, komt vader gauw thuis?"

Zonder antwoord te geven, loopt moeder haastig 't gangetje door naar de voordeur.

Zus is met de vriendinnetjes aan 't spelen, vrolijk en luidruchtig. Daar ginds komt een jongen aanlopen, maar moeder ziet wel, dat het Héns niet is.

't Is Piet. Met de fourage-auto is hij naar de garage gereden en heeft in 't pakhuis Roel nog even geholpen.

Hij ziet buurvrouw staan.

„Heb je Hans ook gezien, Piet?" vraagt ze.

Vanmorgen wel. Maar toen ben ik met de vrachtauto meegereden. Is hij een boodschap gaan doen?" zegt Piet haastig.

„Hij moest even naar bakker Meelman," vertelt moeder.

„Ik zal wel even gaan kijken," biedt Piet aan en meteen is hij weg.

Hij is nog niet eens zo heel ver, als de auto van den dokter hem voorbijrijdt.

Sluiten