Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De weg naar Hans z'n school loopt voorbij het doktershuis.

Hans gluurt door de hekspijlen de tuin in. Er is niemand. Enkele fietsen staan tegen de muur.

Dan loopt Hans verder, teleurgesteld en verlicht tegelijk. Bij school vergeet hij in 't vrolijke spel zijn jongenszorgen.

Meester vertelt.

't Is héél stil in de klas. Hij vertelt van een dapperen held. Maar niet van een held met zwaard en geweer, 't Gaat over een man, die zijn veilige huis verlaat om in 't koude, verre Groenland van den Heere Jezus te vertellen.

Hans luistert. Hij ziet geen schoollokaal met banken meer. Hij ziet voor zich de barre ijsvelden met een vreemd blauwe weerschijn. Hij ziet de wondere kleuren van het Noorderlicht. Hij hoort het slieren van de stalen sleepijzers onder de Eskimo-sleden. En hij ziet den zendeling staan, Hans Egéde. In zijn gedachten is hij Hans Egéde. Hij kent de vreemde taal niet. En hij probeert met de Eskimo's te spreken. Ze luisteren, die ruwe kerels, in hun jassen van zeehondenvel.

Meesters stem klinkt zacht door het lokaal....: „De Eskimo's hielden 't meest van de zééhondenjacht. Als ze maar zééhonden hadden, dan was alles goed. Iemand die goed geleefd had, kwam na zijn dood ook op een plaats waar 't wemelde van die dieren.

Wat was 't moeilijk, héél erg moeilijk, om zulke mensen van den Heere Jezus te vertellen ...

Meester vertelt verder.

Door de open draairamen geurt de schoonheid van de stralende Augustusdag, maar de kinderen zijn in gedachten in 't ijzige noorden.

„Hans Egéde sterft. Maar zijn werk is niet tevergeefs geweest. En misschien lijkt dit alles jullie nu wel mooi toe. Om zóveel voor den* Heere Jezus over te hebben. Misschien denken jullie nu wel in je hart: ik zou óók wel willen heengaan naar zulke arme onwetende mensen om ze zoveel heerlijks van den Heiland te vertellen."

Meesters stem klinkt nu zacht en vertrouwelijk.

„Maar altijd en overil moeten wij zoveel voor Hem over hebben, moeten we Hem durven belijden. Niet alleen in 't verre Groenland, maar ook vlak bij ons, zijn wel mensen, die niet weten wie Jezus is. En nu moeten wij, hoe jong we ook zijn, al goede wegwijzers wezen, 't Gebeurt jammer genoeg zo vaak juist andersom. Dat de mensen Zeggen: ,Bèh, die fijnen'. Dat is héél erg. Wij hoeven allemaal niet er op uit te gaan om te préken, zoals Hans Egéde, maar het moest toch zo zijn, dat ons buurmeisje of onze buurjongen een beetje jaloérs werd en dacht: ik zou dien Heere Jezus óók wel willen

Sluiten