Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja," zegt Hans, „maar nu moet ik naar huis." Hij voelt zich niets op zijn gemak. Is 't niet erg brutaal om zo maar in een andermans tuin te komen?

Bob en Bram komen ook aanlopen.

„D£g, grote jongen," zeggen ze.

„Thor is met vader mee in de auto," vertelt Mientje en wijst naar 't verlaten hondenhok.

„Wil jij ook wel weer es in de auto zitten?" vraagt ze dan.

„Jawel," zegt Hans. Hij voelt zich wat grote-jongensachtig verlegen bij die drie leuke kinderen, die helemaal niet bang zijn.

Bram komt met een grote bal aandragen. Hij duwt hem Hans in de handen.

„Jij moet voetballen," zegt hij.

„Nee, ik moet wèg, hoor," zegt Hans.

Hij wil om Bram heenlopen, maar Bob houdt hem vast bij zijn broek. Bob zegt óók: „Grote jongen moet voetballen."

Er zit voor Hans niets anders op, dan een vlugge trap tegen de bal te geven. Stuitend rolt de bal een eind weg.

Dat vindt Mientje ook zó prachtig, dat ze met de tweeling mee, de bal achterna rent.

„Nog es, nóg es," roepen ze alle drie en de bal rolt alweer voor Hans' voeten. Weer trapt Hans er tegen.

Tussen Bob en Bram rolt de bal door en die keren zich zo haastig om, dat ze beiden onderstboven rollen. Ze lachen luid en krabbelen weer omhoog. „Nóg es, nóg es!"

Hans moet zelf ook lachen. Hij vergeet een ogenblik 't onveilige gevoel van op verboden terrein te zijn en nóg eens trapt hij de bal over 't tuinpad.

Mevrouw schuift het gordijn van de tuinkamer wat op zij. Wat voor pret hebben de jongens toch? Wat doet die grote jongen daar bij? Hè, is dat Hans niet? Hoe is dié hier zo verzeild geraakt. Zou hij een boodschap hebben en nemen de kinderen hem nu in beslag?

„Nee, ik durf niet langer, ik moet naar huis," hoort ze Hans tegen Bob zeggen, die alweer met de bal aan komt lopen.

Mevrouw doet de tuindeur open. Ze klapt in haar handen: „Zeg, jongens, wat wil jullie met Hans? Jullie mag niet zo de baas spelen, hoor."

Hans heeft een hoogrode kleur gekregen.

„Wat wilden die druktemakers met jou, hè. Had je een boodschap, Hans?"

„Hij moest naar de égel kijken," zegt Mientje ongevraagd.

„Hij durfde haast niet eens," voegt ze er nog aan toe.

Sluiten