Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

Piets „grote vriend.

Piet loopt alleen.

Om zijn mond is een vals lachje, dat zijn, anders wel open, jongensgezicht lelijk ontsiert.

Daar heeft zopas die Hans van buurvrouw hem gevraagd of hij Zondag meeging naar de zondagsschool.

Hoe kwam dat jó d'r bij! Hij zou nog liever. Zou hij daar zeker elke Zondag als een zoet jochie in 'n bank moeten zitten om naar die verhalen van den fijnen meester te luisteren.

Stél je voor!

Hun eigen meester kon vast beter vertellen. Hij had pas nog een prachtverhaal verteld van róódhuiden. Dat was wat ènders, dan die verhalen van 'n zondagsschool.

De minachtende trek om Piets mond wordt weer duidelijker.

Maar dan ziet hij Hans z'n teleurgesteld gezicht weer voor zich. En heel eventjes voelt hij toch spijt. Hans had het immers vriendelijk gevraagd. En Hans' moeder was altijd zo aardig voor hem. En zijn kleine zus, nou, die kwam er haast alle dagen. En ja, er gingen wel meer jongens van hun school naar die zondagsschool. Zó gek was 't toch eigenlijk ook niet. Daarom had hij Hans toch niet zo hoeven af te snauwen.

Maar hij had het toch maar verraden van die egel. Dat was flauw.

Piets boosheid begint het weer te winnen. Afijn, denkt hij dan, wat kon 't hem ook schelen. Hij ging nu lekker met Roel naar de stad. Hij was al vaker mee geweest.

Als Piet bij 't fouragepakhuis komt, staat de auto al voor. Roel is al aan 't laden en Piet kijkt bewonderend naar zoveel kracht, als Roel toont, wanneer hij de ene zware zak voedermeel boven op de andere stuwt.

't Doet den sterken Roel goed, die jongensachtige bewondering en ruw-vriendelijk vraagt hij: „Ben je daar? 'k Ben zó klaar hoor."

Roel gaat naar 't kantoortje van „de baas" en als hij even later terugkomt, starten ze ook dadelijk.

'k Moet eerst dit vrachtje bij de boeren brengen en dan een

Sluiten