Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan steekt hij een nieuwe sigaret op.

Piet lacht een beetje. Hij voelt zich groot, dat hij Hans vanmiddag zo afgewimpeld heeft.

Stel je voor, wat zou Roel gezegd hebben als hij es meegegaan was.

„Je mèg bij die fijne lui niks. Ze vinden Mies even erg. Dénk er maar es om," gaat Roel door.

Dan ziet hij hoe de afsluitbomen van de brug over 't kanaal gesloten worden. Hij vloekt en zet de auto stop.

Als ze weer rijden vertelt Piet van de winkels die hij zag. Ook van die fruitwinkel, ,,'k Had wel zin gehad in zo'n appeltje," zegt hij.

„Nou, had er dan een genomen," vindt Roel.

,,'t Is stelen," werpt Piet tegen.

„Wat zou dat? Weet jij er een, die soms niét steelt? Iedereen steelt op de wereld! Als je maar zorgt, dat ze je niet te pakken krijgen."

De auto neemt een bocht. De laatste bocht voordat het dorp komt.

„We schieten al op," zegt Piet.

„De wagen rijdt best," weet Roel.

„Moet die Hans misschien dominee worden?" vraagt hij dan ineens.

Als antwoord vertelt Piet het verhaal van de egel.

Roel lacht luidruchtig. Nee-maar, dié mop was goed. Dat waren fijne gebakjes voor dien rijken dokter geweest. Stékelgebakjes. En had Hans 't lieve jochie gespeeld?

Och ja, dat had je van die fijnen.

In Roels stem is weer dat harde, verachtelijke.

Dan stopt de auto voor 't pakhuis.

„Nou bonjour," zegt Roel ruw, „de groete aan dominee Hans."

Als Piet thuiskomt, staat Hans' moeder in de deur. Ze praat vriendelijk met zus. „Zó Piet, een mooi ritje gehad?" zegt ze vrolijk.

„Ja," zegt Piet en meteen kleurt hij hevig. De vriendelijkheid van buurvrouw hindert hem. Maar hij houdt zich groot. Toch is hij diep in z'n hart blij, dat hij Hans niet tegengekomen is.

Eigenlijk weet hij zelf niet goed waarom.

Sluiten