Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

Piet op t verkeerde pad.

Piet komt uit school.

't Is een heerlijke Septemberdag.

Twee oude mannetjes kuieren kalmpjes voor hem uit. Ze praten over 't mooie nazomer-weer.

,/t Is buitengewoon," vindt de een.

„We schieten zo al een mooi eindje in 't jaar op," gaat de ander door, ,,'t gaat ongemerkt zo. Nog een poosje, dan is 't al weer October."

Piet luistert naar hun gemoedelijk gepraat, terwijl hij vlak achter hen loopt.

Dan gaat hij met een bocht om hen heen en staat meteen tegenover Hans.

Hans heeft hem opzettelijk opgewacht.

„Goeie," zegt Hans.

„Oók dag," zegt Piet.

Dan staan ze beiden even onzeker.

„Ga je mee, terug?" vraagt Hans dan.

Er zit voor Piet niet veel anders op dan mee te lopen en samen stappen ze nu terug.

't Gesprek wil eerst niet vlotten, maar dan begint Hans zijn eigenlijke boodschap uit te leggen.

't Maakt hem welsprekend.

Piet kijkt hem van terzijde aan. Hij verwondert zich. Eerst had hij gedacht dat 't Hans om een vechtpartijtje te doen was. Ze waren de laatste keer immers dreigend bij elkaar vandaan gegaan. En nu dit. Een ritje in die fijne wagen van den dokter nog wel.

't Lijkt Piet wel mooi toe. Als Hans 't zo geestdriftig uitlegt móet je er ook haast zin in krijgen. Maar hoe komt die dokter er bij om juist hèn te vragen? 't Maakt Piet een beetje achterdochtig en hij vraagt er Hans naar.

Hans had een ogenblik gedacht dat Piet wel minachtend zou lachen. Maar Piets vraag klinkt gewoon vriendelijk, 't Geeft Hans nieuwe moed, al maakt de vraag 't hem wel een beetje moeilijk.

Sluiten