Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat moet hij nu precies zeggen? Hij durft niet te vertellen van de egel. Dan zal Piet hem zéker weer „verrader" noemen.

Hij zegt zo gewóón mogelijk: „Nou, dokter kende me nog van laatst van dat ritje. Je weet wel. En toen heb ik verteld, dat ik wel eens met jou speelde."

't Lijkt Piet wel aannemelijk toe. Hij vraagt ten minste niet verder.

„Nou, ga je mee?" dringt Hans nog eens aan.

Ze zijn nu al dichter bij huis gekomen. Hans loopt onwillekeurig langzamer.

Piet weifelt nog. Maar dan moet hij aan Roel denken. Wat zou dié er wel van zeggen. Die zou er vast om lachen. Of néé. Die zou vast zeggen: dat hèb je van die fijnen. Mooi-weer spelen tegen rijke mensen. Als hij Woensdag niet met Roel meeging, zou die hem er zéker mee plagen.

,,'t Kan niét op een andere middag, hè?" probeert hij nog een uitweg te zoeken.

„Ik denk het niet. Vader zal 't zeker niet goedvinden om er vrij van school voor te vragen. Jouw vader wel ? Je hóeft toch niet met Roel mee, wel? Wil ik het je vader es vragen?"

„Néé." Piet zegt het heftig.

„Vader heeft er niks mee te maken en jij hoeft niks te verraden."

Hans schrikt er van. Piet heeft hetzelfde woord weer gebruikt van laatst. En Piet zelf moet daar nu ook weer aan denken.

Heel beslist zegt hij: „Nou, ik ga niét mee. Die dokter kan me niks schelen. Speel jij maar voor kindermeisje."

Piet loopt meteen door naar zijn huis. Hans voelt een razende woede in zich opkomen, om Piet te laten voelen, met zijn vuisten desnoods, dat hij geen kindermeisje is. Maar Piet is al een paar stappen van hem verwijderd en net komen de twee oude mannetjes van straks er aan wandelen. De ene ziet Hans' woede. Hij weet natuurlijk niet waarom die jongen zich boos maakt, maar hij ziet Piet weglopen en zegt heel gemoedelijk: „Niet vechten met dit mooie weer, kameraad." Grappig dreigt hij met z'n stok. Als Hans in dat vriendelijke rimpelige oude gezicht kijkt, is zijn boosheid ineens gezakt.

Hij lacht en zegt: „Nee hoor."

Dan gaat hij naar huis.

Hij vertelt moeder zijn teleurstelling, maar zegt niet, dat Piet niet wilde hebben, dat hij er met buurman over sprak. Hij wil in geen enkel opzicht een verrader zijn.

Als Piet even later een boodschap voor zijn tante moet doen, loopt hij nog over Hans' voorstel te denken.

Nee, hij gaat niét mee. Dat is vast:.

Sluiten