Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roel is erg spraakzaam. Hij lacht telkens. „Volgende keer ga je weer mee, hè ? Hier alleen in de cabine zitten, daar kan 'k niet tegen. Dan word ik slaperig, zie je. En we moeten niet tegen een bóóm aan, wat jij!" Hij lacht ruw.

Ze nemen de laatste bocht al weer. Piet schrikt. Wat rijdt die Roel woest. Bijna tegen de bomenrij aan. Hij kijkt hem aan. „Word je benauwd, juffer?" vraagt Roel.

„Ik niet," houdt Piet zich groot, maar in zijn binnenste voelt hij een vreemde onrust. Tegen déze onverschilligheid van Roel moet zijn eigen onverschilligheid het afleggen. Hij begint naar het eind van 't ritje te verlangen.

Maar dan mindert Roel zijn vaart. Met een kalm gangetje rijden ze 't dorp binnen en dan stoppen ze voor 't pakhuis.

„Doe de deuren nog even open," vraagt Roel en met moeite duwt Piet de zware, in rails lopende schuifdeuren open. Dan rijdt Roel de auto naar binnen.

„Nou, tot de volgende keer dan," zegt Roel.

„Goeie," zegt Piet, maar hij geeft geen antwoord op Roels vraag.

Dit reisje was hem niet zo erg bevallen. Als Roel zo woest reed, bleef hij maar liever thuis.

Gelukkig vraagt zijn tante niet, waar hij geweest is. Dat heeft ze trouwens nog geen enkele keer gedaan, want Piet is telkens nog best op tijd geweest. Toch voelt hij zich elke keer weer opgelucht als ze nergens over praat. Want hij begrijpt wel, dat het beter voor hem is, dat zijn vader het niet weet. Als die es dóór ging vragen.

Nee, hoe minder ze er van weten, hoe beter. Maar volgende Woensdag gaat hij toch maar liever niet, besluit hij al vast bij zichzelf.

Aan de gestolen appel denkt hij al niet meer.

Sluiten