Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Niks, verrader, bemoei je met je eigen zaken. Ik vraag jou toch ook niet, waar jij je rommeltje vandaan hebt."

Hans doet een stap achteruit. Hij voelt zich ook kwaad worden. Zou die Piet nu altijd nog die egelgeschiedenis niet vergeten zijn?

„Ik doe je toch niks, wel?" vraagt hij dan weer. „Is dat zo erg, dat ik het je vader vraag? Als die 't je zelf gegeven heeft, hindert het toch niks! Ik doe 't toch," zegt hij boos.

„Je doet het niét!" zegt Piet dreigend.

„Zal 'k zelf weten," bijt Hans kort terug.

Dan begint Piet anders te praten. Hij begrijpt, dat hij zich lelijk vastgepraat heeft. Maar één ding is voor hem zeker: vader mag 't niet weten.

„Zeg Hans, 'k zal je es wat zeggen. Maar je moet 't niet wéér vertellen, hoor. Nee?"

„Wat dan?" vraagt Hans.

Waarom praat die Piet nu ineens op zo'n andere toon, denkt hij.

Piet buigt zich wat naar Hans toe. Even kijkt hij schuin naar de keukenramen of zijn tante daar ook staat. Hij praat half fluisterend.

„Ik ga alle Woensdagen met Roel mee en dat weet vader niet. Die meent van zomaar es een enkel keertje. En nou heb ik dit mes van Roel gekregen. Dat mag vader niet weten, zie je. En als jij vader nu vraagt, dan merkt die het."

„En zopas zei je, dat je 't van je vader gekregen hadt," zegt Hans.

„Dat zei ik er maar om. Maar je vertelt het niet aan vader, hè ?"

Piets stem is nu helemaal niet dreigend meer. Hij is vertrouwelijk dicht bij Hans gaan staan en legt hem zijn hand op de schouder. Hans weet niet hoe hij 't heeft. Hij voelt dat dit niet in orde is met dat mes, anders hoefde Piet toch niet zo angstig-geheimzinnig te doen. Hij blijft besluiteloos staan.

„Je vertelt het niet, hè ?" houdt Piet weer aan. Hij steekt zijn hand in de zak en tast naar de kwartjes.

„Hier, dit kwartje mag jij hebben. Maar dan zeg je het ook tegen niemand, hè?"

Hij houdt het kwartje Hans voor.

Hans krijgt een vuurrode kleur. Boosheid flikkert in zijn ogen: „Dacht je, dat ik me liet omkopen? Nou zeg ik het juist." Driftig keert hij zich om.

Piet schrikt er van. Zal Hans nu zó weglopen ? Maar dan is voor hèm de zaak verloren. Met een sprongetje heeft hij Hans weer ingehaald.

„Zeg Hans, doe nou niet zo flauw. Je kunt toch nog wel tegen een grapje, is 't niet? 't Was maar gekheid met dat kwartje. Dat is niet eens van mij. 'k Moet een boodschap doen voor tante."

Sluiten