Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hans kampt tegen zijn opkomende tranen. Hij zou dien goeien meester, waar hij zoveel van houdt, nu liefst maar alles vertellen. Maar als Piet het dan es te weten kwam. Dan zou die met zo'n verrader nóóit meer te doen willen hebben.

„Vertel 't me later maar eens, hè," zegt meester dan. „Zondag kom je bij leven en welzijn maar met Piet in de consistorie. Er komen nog wel meer jongens, die je kent, hoor! Tot ziens dan Zondag, hè?"

Meester geeft Hans een stevige hand. „Nou, Hans Egéde, maak dat je thuiskomt. Ik doe de schooldeur op slot.

„Dag meester," zegt Hans. Hij veegt met zijn mouw een paar tranen weg, die hij niet meer had kunnen tegenhouden. Gelukkig ziet meester het niet, meent hij. Hans Egéde, had meester gezegd. Hij moest 't eens weten. Hans Egéde had alles wel willen geven. Maar hij, Hans, wilde met kwade dingen het goede bereiken.

Hij loopt in gedachten verdiept. Bij de brug zijn wat schooljongens aan 't voetballen op straat.

„Doe je mee. Hans?" roepen ze.

Met een besliste ruk van zijn schouders zet Hans alle zorgen van zich af. Hij is al achter de bal. Roettss, daar suist die al heen. 't Wordt een wild spelletje, net zo lang, tot er een man uit een van de huizen komt en hen wegjaagt.

„Je mag niet voetballen op straat," zegt hij boos.

Met een vuurrode kleur en bezweet komt Hans thuis.

„Heb je weer zo wild gespeeld?" zegt moeder afkeurend.

„Gevoetbald, moe," zegt Hans dan.

„En wat zei meester?"

,,'t Was goed, moe."

Meer zegt Hans niet.

Hij is zeker moe van dat wilde spelen, veronderstelt moeder bij zichzelf. Of hééft hij soms wat?

Sluiten