Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe hij 't gevonden heeft. Als ze bij huis zijn, zegt hij: „Ga je de volgende keer weer mee?"

,,'k Weet niet," zegt Piet, „misschien wel. Maar je praat nergens over, hè, je weet wel?"

„Ik bén geen verrader," zegt Hans. Dan gaat hij naar binnen.

Piet blijft nog even buiten staan. De vroege Novemberavond is al gevallen. Sterren pinkelen er boven de donkere rand van de boomkruinen. Over de straat ligt de rust van de Zondagavond.

Piet kijkt naar boven. Zou daar nu wérkelijk die arme bedelaar ergens wezen? Boven die verre sterren? En zou daar nu die Jezus wonen? Piet huivert. Hij gaat naar binnen. Tante is nog niet thuis. Vader zit achterover in zijn stoel en rookt een sigaar.

„Aardig gewandeld, kerel?" zegt hij. Maar dan zegt Piet heel eerlijk: „Nee, vader, ik ben met Hans naar de zondagsschool geweest."

Even fronst vader de wenkbrauwen. Maar Piet vertelt ineens door, in een grote behoefte om te zeggen wat daar binnen in zijn gedachten leeft.

„Is dat waar, vader, wat die meester zegt? Is er écht waar een hemel en een hel?"

„Die meester heeft je zeker benauwd gemaakt, hè? Maak je maar niet ongerust, hoor," sust vader.

„Ja, maar vader, weet u zéker, dat er geen hemel is ? Die meester zei, dat 't écht waar, wèl zo is."

Van der Lijn zwijgt. In gedachten ziet hij de gestalte van zijn vrouws grootmoeder voor zich. Had die zoiets óók niet gezegd, toen hij met Catrien trouwde?

„Weet jij zeker, dat er geen hemel is?" had ze waarschuwend gezegd. Hij had er om gelachen. En Catrien later ook. Nu was Catrien er niet meer. Hij heeft, nu hij hier vanavond zo eenzaam zat, aan haar moeten denken. Nu staat zijn eigen jongen voor hem, met diezelfde vraag. Wist hij 't eigenlijk wel zeker? Absoluut zeker?

„Zeg nou wat, vader," dringt Piet aan.

„Ik weet het eigenlijk niet," zegt hij ontwijkend.

„Maar die meester wist het zéker," zegt Piet, overtuigd.

„Pieker maar niet, hoor," zegt Van der Lijn dan. „Daar ben je nog te jong voor. Ga maar in je indianenboek zitten lezen."

Piet zoekt zijn boek op. Alleen zegt hij nog: „Mag ik er wel eens weer heen?"

„Toé dan maar," zegt vader.

Hij begrijpt zélf niet, wat hem vanavond zo toegeeflijk maakt.

Sluiten