Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, t lukt. t Duurt maar een ogenblikje, dan zit het mes veilig in zijn zak. 't Is een groot en sterk. Een klein mes kan Roel niet gebruiken. Twee ansichten neemt hij in zijn hand. Hij loopt bedaard naar den bediende, die een tasje voor de beide meisjes inpakt. Dan gaat achter in de winkel de deur naar de huiskamer open. De juffrouw, die te voorschijn komt, fluistert een paar woordjes tegen den winkelbediende. Piet kijkt op en op 't zelfde ogenblik begrijpt hij: „Die juffrouw heeft 't over hèm. Ze wéét het."

Hij bedenkt zich geen ogenblik. Met een vaart stuift hij de openstaande winkeldeur uit. Het haastig gestommel van de voetstappen van den bediende hoort hij vlak achter zich. Bijna botst hij tegen een voorbijwandelenden agent aan.

„Hiér, kwajongen!" wil die roepen, maar op 't zelfde ogenblik rent Piets vervolger in volle ren tegen hem aan. Zijn uniformpet rolt over 't trottoir. De bediende staat even stom verlegen. Doodkalm raapt de gemoedelijke agent zijn pet op.

„Later kijk je eerst uit je ogen, voor je op hol slaat," zegt hij.

Maar dan is de eigenaar van de winkel er ook al. En de andere bedienden. En de klanten.

„Wat wks dat toch, wat wès dat toch," zegt zenuwachtig druk het oude heertje, dat een pijp gekocht heeft.

De eigenaar staat inmiddels den agent te beduiden, wat er gebeurd is.

,TJa, zegt de agent dan en strijkt over zijn enorme knevel. " Ja, hij is dat straatje ingevlogen. Gaat u maar even mee."

„Doorlopen, mensen," vermaant hij, en dan: „hoe kalmer, hoe beter.

Alleen met den mijnheer van de winkel gaat hij 't nauwe straatje binnen, t Loopt uit op een pleintje. Aan de ene kant is een stenen tuinmuur. De overige zijden worden ingesloten door wat armelijke Pakhuizen. Er staat een hoge stapel houten kratten en kisten. „Aardappelhandel staat op een houten bordje tegen de enige deur gespijkerd.

De agent loert om zich heen. De mijnheer speurt achter de stapel kratten. ^

„Niks," zegt de agent. Hij voelt aan de deur. Die is los. Een muffe lucht van vochtige aardappelzakken slaat hem tegen, 't Is er bijna donker. Wat schaars licht valt er door een witgekalkt venster. De mijnheer van de winkel gaat mee naar binnen.

„Brrr," zegt de agent, „als die jongen hiér zit, heeft hij niet zo'n gezond plaatsje."

De mijnheer kijkt hem even onzeker aan. Houdt die agent hem voor de mal?

Sluiten