Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij is die stapel kisten opgeklommen en zo over die muur geklauterd," verklaart hij.

Hij klimt zelf ook naar boven en kijkt over de muur in een keurige tuin.

Aan de achterkant is een ijzeren hek. Daar is de straat langs een gracht. Hij blijft nog even kijken. De mijnheer staat in nieuwsgierige afwachting beneden.

Dan komt hij naar beneden en zegt: „Deze tuin komt uit op de Westergracht, zie 'k wel. De jongen is 'm al lang gesmeerd."

Hij overhandigt den mijnheer 't mes:

„Asjeblieft. Of moet ik er wérk van maken? 'k Zal de Westergracht nog es langs lopen, misschien dat 'k wat zie."

„Laat u 't maar zo. 't Mes is terug. Dat is 't voornaamste," zegt de mijnheer.

„Al wéér in orde," zegt de agent.

In rustige stap slaat hij, als ze 't slopje uit zijn, de richting van de Westergracht in.

Boven de huizen, tjingelt het klokkenspel. De agent zet zijn horloge gelijk.

„Al weer zó laat?" denkt hij.

Rustig ligt de Westergracht er. De slanke toren van de Westerkerk spiegelt vaag in 't groezelig grachtwater terug. Wat oude schuitjes met onttakelde masten liggen er achter de kale bomenrij.

„Niks te beleven," stelt de agent vast. Toch kuiert hij rustig verder.

Sluiten