Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dicht bij een grote, brede betonbrug. Aan de overkant dreunen de machines van een grote fabriek. Uit de vele vierkante raampjes schijnt het electrisch licht vreemd tegen de nog lichte avondlucht.

Een vrachtauto raast van 't fabrieksterrein, 't Herinnert Piet met pijnlijke zekerheid er aan, dat Roel nu vast wel vertrokken zal zijn. Hoe moet hij dan thuiskomen?

Als hij over de brug is, komt hij in nieuwe stadswijken. Grote massale steenklompen met rijen gelijke deuren, 't Is er niet druk. Af en toe peddelt een haastige fietser voorbij.

De klankvolle roep van een visventer galmt tegen de zwijgende huizen: „Hollandse nieuwe."

Waar kóm ik terecht, pijnigt Piet zijn gedachten. En Roel is weg. Wat zullen ze thuis zeggen, 't Lijkt Piet vreemd veraf: thuis.

't Begint al vroeg avond te worden. In vele huizen branden de lampen al. Op een hoek staat Piet stil. Welke kant zal hij nu weer uit ?

In het hoekhuis brandt een roodgekapte schemerlamp. Het zachte licht valt op een meisje. Ze staat bij het orgel en een dame zit te spelen. Haar moeder, raadt Piet. Hij ziet het alles klaar en duidelijk door 't raam. 't Lijkt zó huiselijk en gezellig, dat Piet op dat ogenblik niéts meer ziet dan dat éne, dat onbereikbare, daar onder die lichte lamp. Dan hoort hij haar zingen: „Stille nacht.... heilige nacht."

Met een ruk keert hij zich om. Haastig loopt hij een nieuwe straat in. Dat versje hadden ze op de zondagsschool gezongen. Op de zondagsschool. Wat lijkt dat een oneindige tijd geleden. En 't is toch pès gebeurd. Hij zou Zondag wéér met Hans mee. Maar nu kon 't niet meer. Nooit meer. Ze zouden weten dat hij een diéf was. Misschien snapte de politie hem straks wel. Wat zou Hans dan zeggen? Die goeie Hans, die hem niet eens verraden had. En Hans' moeder. En die meester. En zijn eigen meester. Ja, die zou zeggen: „Dat was stóm van je, Piet. Een jongen van zó'n vader doet zoiets niet."

En zijn vader, die had ook wel gezegd: „Wie niet eerlijk is, deugt nergens voor."

Maar dat was tóch nog wat Anders.

Hans' moeder zou hem alleen maar aankijken misschien, met verdriet in haar ogen. Dat zou véél meer pijn doen. En dié oude dame van de villa, die vond oneerlijkheid ook zo erg. Ze had 't over Jezus gehad. Dat was diezelfde naam, die Hans' meester genoemd had. Woonde Die niet boven de sterren? Zag Die hem nu lopen? Zou Die hem kunnen helpen nu? Maar nee, dan had Hij 't ook gezien van dat mes.

Onwillekeurig blikt Piet naar boven. Tussen de huizenrij is een brede streep donkerende avondlucht. Vreemd vèr gloeit een enkele

Sluiten