Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streken zou zijn. Nu is hij nog niet verder dan de éérste brug

Moedeloos loopt hij langs de koude ijzeren leuning. De sterren spiegelen in 't stille water terug. Piet huivert. Wat ijzig koud is 't hier. Was hij maar weer thuis. Had hij maar niet naar Roel geluisterd. Dan had hij niet zo'n hekel aan Hans gekregen.

Na de geschiedenis met die egel had hij eigenlijk nooit meer echt vriendelijk tegen hem gedaan. En nu met dat mes had Hans hem niet eens verraden.

En hij had Hans nog voorgelogen ook. En ze waren allemaal vriendelijk voor hèm geweest. Die meester, en dokter, en die oude mevrouw van „de villa", en Hans' moeder. En ze wisten ook allemaal zo zéker dat 't waar was, wat in dat dikke Boek stond.

En vader, wist 't niet ééns zeker. Roel, dié lachte er om. Maar waaróm eigenlijk?

De tranen komen in Piets ogen.

Maar dan schudt hij die bange gedachten van zich af.

„Ben je niet wijs," zegt hij half luid tegen zichzelf, 't Komt zeker van dat geheimzinnige donker, dat hij zo meisjesachtig wordt.

Weer dreunt een zware auto voorbij. Zou 't Roel zijn?

Weet je w£t? Een stoutmoedig plan komt in hem op. Hij had wel eens gehoord, dat een chauffeur iemand méénam. Als hij zijn hand straks eens opstak! Daar komt al een auto aan. Proberen.

Piet is achter de beschermende bomenrij vandaan gekomen. Hij steekt zijn hand op. Vreemd staat hij daar in 't volle licht. Even maar. Dan is de auto voorbij, 't Rode achterlicht schuift weg in een bocht.

Ginder danst al weer een lichtbundel. Weer proberen. Wéér mis. Piets moed begint te zakken. Wie zou nu ook voor een jóngen willen stoppen! Donker en stil ligt de weg voor hem. Zopas waren er telkens auto's. Nu lijkt het hem toe of het 'k weet niet hoe lang duurt voor er weer eens een aankomt. Hij blijft staan en kijkt achter zich.

Ja, daar is licht. Twéé auto's zijn er. De voorste is een vrachtauto, ziet hij in 't licht van de volgende. Proberen maar. Hij steekt zijn hand in de hoogte. De achterste auto knippert met de lichten. Die wil de voorste voorbij.

Als hij zo'n haast heeft zijn voor Piet de kansen al verkeken. Nee, tóch. Mindert die achterste vaart? Piet staat in 't volle licht. De vrachtauto dendert voorbij. Maar wonder boven wonder: de tweede wagen stopt. Piet schrikt er haast van. Wat moet hij nu zo gauw zeggen?

t Portier gaat al open en een bekende stem zegt, duidelijk verwonderd: „Piét!"

Sluiten