Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste bocht, weet Piet. Nu zullen ze spoedig thuis zijn. Niet ééns zoveel later dan anders. Dokters auto rijdt veel harder dan Roels vrachtwagen. Dokter heeft een hele tijd zwijgend achter 't stuur gezeten. Zou hij boos wezen ? denkt Piet. Zéker is hij boos. Dat kon immers ook niet anders. Dat moést toch wel. Want dokter was vriendelijk geweest en hij niet. Hij had bokkig gedaan, zei zijn meester dan. Hij wou nu wel graag wat vriendelijks zeggen. Maar wèt! 't Was nu al te laat. Dokter zou nu toch niets meer terug willen zeggen.

Zou dokter hem zo thuisbrengen? Piet hóópt het. Dan zou hij zich er gemakkelijk met een leugentje uit kunnen redden. Dan kwam 't nóóit uit. En hij ging vèst niet weer met Roel mee. Dan kon alles nog wel goed komen. En dat indere mes dan, plaagt zijn onrust hem weer. Ja, dat zou hij weggooien ....

Ze zijn nu al dicht bij 't dorp. Piet ziet de eerste electrische straatlantaarns al. Daar is 't pakhuis van Schouten. De electrische lamp boven de schuifdeuren brandt. Er staat een vrachtauto. Die wordt leeggeladen. „Roél," ziet Piet in één oogopslag. Roél; die was dus thuis. Hij had niét gewacht. Even voelt Piet een grote teleurstelling.

Even maar. Dan denkt hij weer, dat Roel toch ook gelijk had. Hij had niet kunnen wachten. Stel je voor: zijn baas had hem zéker weggejaagd. En tóch.... Als Roel nü al aan 't afladen is, dan had hij ook niét lang gewacht.

En hij schepte altijd nog wel zo op, dat hij als kameraad zoveel voor Piet overhad.

Dokter toetert voor de hoek van de zijstraat. Dan rijdt hij kalm langs de gracht.

Piet is rechtop gaan zitten, in grote spanning, wat dokter doen zal. Zou hij doorrijden naar hun huis?

Hij merkt niet dat dokter naar hem kijkt.

Wat zou die jongen nu toch eigenlijk uitgevoerd hebben, denkt dokter. Hij heeft zopas óók wel gezien dat Roel thuis was. Zou er wat gebeurd zijn ? Dan zéker niet veel goeds. Dan stopt de auto voor 't doktershuis. Dokter zet de motor af. Vreemd stil is 't nu ineens.

„Jij gaat even met me mee naar binnen, hè," zegt dokter.

Als in een droom loopt Piet achter dokter aan. Aan ontvluchten denkt hij éven. Heel even maar. Als hij nu wegvluchtte gaf het hem immers toch niets. Hij moét wel achter dokter aanlopen. Hij ziet vreemd scherp de kiezelsteentjes van 't paadje in 't lichte vlak van 't lampeschijnsel door een der ramen.

Willoos volgt hij nu.

Moeizaam stapt Piet de stoep op. Hij voelt plotseling weer 't schrijnen van zijn geschaafde scheenbeen.

Sluiten