Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dokter gaat je vader waarschuwen. Dan haalt die jou hier vandaan," zegt mevrouw. „Kom jij nu zolang maar in de huiskamer."

Piet loopt achter mevrouw aan. In de huiskamer is 't gezellig warm. De oude mevrouw van „de villa" zit er en knikt hem vriendelijk toe.

„Dag Piet," zegt ze.

Piet kleurt. Hij durft haar bijna niet aan te kijken. Maar de oude mevrouw doet heel gewoon. Ze praat over haar tuin. Dat die er nu lelijk uitziet. Als 't mooie weer kwam, moesten de jongens maar weer eens terugkomen.

Piet knikt maar wat. Zou ze nu helemaal niet vragen wat er gebeurd is?

Mevrouw geeft hem een dik boek met platen. Hij mag bij de tafel zitten. Dan praat ze weer rustig met omoe. Heel langzaam slaat Piet de bladen om. 't Is alles zo wonderlijk vreemd nu. 't Ene ogenblik voelt hij zich opgelucht, dat hij alles aan mevrouw gezegd heeft; 't andere ogenblik heeft hij er grote spijt van. Wie wéét, wat voor narigheid er nu allemaal komen zal. En wat zal Roél zeggen? Roél, die altijd schamper praatte van dien rijken dokter. Nu zét hij hier. Deftig in de kamer nog wel. En hij had alles bekend, 't Is alsof hij Roels stem hoort spotten, dat hij het zoete jongetje geweest is.

Roel had hem op de schouder geslagen en vriendschappelijk gezegd, dat ze elkaar nooit verraden zouden. Hij had zich gróót gevoeld toen. En nu had hij èlles zitten vertellen. Nu zou Roel hem vast een verrader vinden.

De bladzij van Piets boek blijft liggen. Er staat een grote plaat op. Een hond, die blaffend tussen het riet springt. Twee eenden fladderen verschrikt op. Piet ziet de plaat en toch ziet hij hem ook niét.

't Is alsof hij Hans voor zich ziet. Hij had hem een verrader genoemd. Waaróm eigenlijk? Hans héd hem niet verraden immers. Alleen maar verteld van die egel toen. Nu had hij, Piét, immers óók alles verteld, 't Wordt hopeloos moeilijk allemaal.

Tik .... Er valt een traan, nèt op de kop van de hond, op de plaat. Piet schrikt. Zou de oude mevrouw 't gezien hebben? Nee, die zit een andere kant uit te kijken, bij de haard. Mevrouw is de kamer uitgegaan.

Dan gaat de deur een klein eindje open. Guitig kijkt een kleinejongens gezicht om de hoek. Omoe heft grappig waarschuwend haar vinger op.

„Wat moet Brammetje?"

Bram komt nu helemaal binnen. Hij kijkt naar Piet.

„Wat moet grote jongen hier, omoe?" vraagt hij nieuwsgierig.

„Jij mag niet zo nieuwsgierig wezen, harlekijntje!" zegt omoe.

De deur gaat weer open. Daar is Bob ook.

Sluiten