Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Néé, dokter."

„Enfin, dat konden we wel te weten komen. Maar om nu nog weg te rijden, dat...

Dokter maakt zijn zin niet af. De bel gaat. Haastig doet juffrouw Van der Lijn nu open.

„Navond," zegt een stem, „ik wou dokter graag even hebben."

Dokter komt al in de deur. Er staat een man met een fiets. „Of dokter dadelijk even komen wilde bij Hendriks."

„Ik kom zó," zegt dokter. Hij loopt vlug naar de kamer en zegt: „Ik kan er niets aan doen. Maar ik zal wel even telefoneren met 't politie-bureau. Misschien komt het nog in orde.

„Ik hoop het," zegt Hans' moeder.

Piet zit nog stil in de huiskamer bij dokter.

Met dat belletje was 't vader niet geweest. Er had iemand naar dokter gevraagd. Mevrouw had van Piet even het huisnummer moeten weten. Toen was die man dus naar hun huis gegaan om dokter op te sporen.

En niet zo heel lang daarna was de buitendeur gegaan. Haastig was er iemand door de gang gelopen.

Toen had de telefoon gerinkeld. Daarna was alles stil geworden.

Toen mevrouw weer binnenkwam, zei ze: „Wij moeten maar gaan eten omoe, heeft Bert gezegd. Hij is nog even naar een patiënt. En anders wordt het zo laat voor u, hè."

Ze loopt naar Piet.

„Ja, vent, je vader was vanmiddag wat vroeger thuisgekomen. En nu heeft hij een auto gehuurd om jou te zoeken. Wij hebben Zopas 't politie-bureau opgebeld in de stad. Misschien dat ze daar je vader kunnen waarschuwen dat je al thuis bent. Maar nu moet jij maar naar huis gaan. Regelrecht naar huis, hoor. Hoe gauwer je nu thuis bent, hoe beter."

„Nu voortmaken, hoor," zegt mevrouw nog eens, als ze in de deur staat om Piet uit te laten.

Piet knikt. Er zit weer een dikke brok in zijn keel.

't Is buiten zacht begonnen te regenen. Een zwarte wolk is voor de sterren geschoven. De straten glimmen in 't licht van de lantaarns. De gracht ligt stil en verlaten.

Bij de brug staat een groepje mannen bij elkaar te praten. Ze hebben de kragen van hun jassen opgezet. Piet loopt ze haastig voorbij. In hun straat is het donker. De jongens hadden zeker de lantaarnlamp stukgegooid. Huiverend loopt Piet de donkere straat in. Hij is moe van 't denken. Wat zou tante straks zeggen? En zou vader daar nu in de stad rondlopen?

Sluiten