Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omzwerven, 't Zou toch al te dwaas wezen. Even weifelt Van der Lijn. Zal hij maar terugkeren? Maar néé. Hij geeft weer vól gas.

Er is een vreemde onrust in hem. 't Was zijn jongen, zijn eigen jongen toch. Als hem nu eens wat overkomen was. Hij ziet hem in gedachten voor zich, die Zondag, toen hij met Hans meegeweest was. En 't is of de vraag weer in zijn oren klinkt: „Weet u 't zéker, vader? Hélemaal zéker?"

Misschien lag de jongen nu wel in 't ziekenhuis, of was hij dóód. En dan? Van der Lijn huivert. Dan tuurt hij weer ingespannen door de voorruit. Niet piekeren nu. Dat was onverantwoordelijk hier achter 't stuurrad.

De weg glimt van de regen. Er is weinig verkeer meer.

Waar die jongen nu toch is! Weer dwalen Van der Lijn's gedachten

af.

Dan zet hij de ruitenwisser stop. De regen heeft opgehouden. Er komt een lichtere plek tussen 't zwart van de wolk. Van der Lijn ziet het door de portierruit, die hij met zijn mouw heeft schoongeveegd. Daar tussen de boomstammen, links vooruit ziet hij een lichtplek tegen 't wolkendek. Dat is 't licht van de stad. Aan de straatweg staat nu hier en daar een lantaarn. Dan wordt 't langzaam een hele rij. Van der Lijn rijdt met zijn schokkende wagen de stad binnen.

't Is er druk in de straten. Het licht van de lokkende étalages spiegelt terug in 't nat van het trottoir, onderschept door 't gestadig bewegen van vele gestalten in regenjassen.

Van der Lijn zet de auto op 't parkeerterrein. Dan stapt hij uit. Wèt, liep Piét daar niet? Zou die jongen hier nu nog omslenteren om op Roel te wachten? Ja, 't is Piet.

„Piét!" roept Van der Lijn luid.

De jongen blijft staan. Hij wacht. Van der Lijn loopt opgelucht naar den jongen toe. Maar dan ziet hij ineens dat het Piet niet is. Teleurgesteld blijft hij staan.

„Neem me niet kwalijk, ik dacht dat je Piét was," zegt hij tegen den jongen, die hem met een verbaasd gezicht staat aan te kijken. De jongen kijkt nóg vreemder.

„Ik bèn Piet ook," zegt hij dan verwonderd. Ondanks al zijn zorgen moet Van der Lijn nu toch lachen.

„Ja, maar een andere Piet dan ik bedoel," zegt hij.

„Ook goed," zegt de jongen en loopt verder. Van der Lijn staat daar èrg alleen. Dan keert hij terug naar de hoofdstraat. Maar daar vraagt hij zichzelf af, wat hij nu eigenlijk van plan is. Hoe zal hij in deze winkelstraatdrukte ooit Piet vinden?

't Is het beste, dat hij dadelijk maar naar een politie-bureau gaat. Daar zullen ze hem in elk geval goede raad geven.

Sluiten