Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bakker Meelman veegt met een grote bezem zijn stoep schoon. Dan vlucht hij huiverend weer in de bakkerij. „Brrr, 't is hier beter dan buiten," zegt hij.

En in de stad sneeuwt het ook. Het sneeuwt de hele dag uit een dichte grijze lucht. De sneeuw in de straten ligt er drabbig van 't schuifelen van de vele voetstappen. Alleen langs de grachten ligt ze hoog en wit.

Een vrachtauto rijdt door de drukke straat. Regelmatig klikt er een ketting. Roel heeft een ketting om de band van 't achterwiel bevestigd. Dat is goed tegen slipgevaar.

Er staat een norse trek op zijn gezicht. Hij zit alleen in de cabine.

Hij heeft vervelende dagen meegemaakt, vindt hij zelf.

Eerst heeft de baas hem een daverend standje gemaakt, met het dreigement: Als 't nog één keer weer gebeurt. Roel kijkt minachtend. D'r zijn wel meer baantjes op de wereld. Toen is Van der Lijn geweest. Nou, die was ook niet mals. Die Piet scheen alles verteld te hebben. Eigenlijk vals van 'm. Die fijne lui zouden 'm wel bepraat hebben.

Roel zet de wagen op 't parkeerterrein.

„Brrr, wat een weer," bromt hij in zichzelf. Dan moet hij weer denken aan dien dokter. Er komt een koppig gevoel van verzet in hem op. Die dokter had ook met hem gepraat. Eigenlijk had hij er niet veel van terug gehad. Maar dat wil hij niet erkennen. Wel had hij even een grote mond gehad, maar bij dien kalmen dokter had hij zich spoedig geslagen gevoeld. Roel richt zijn schouders réchter, zijn vuisten ballen zich in zijn jaszak. Nee, hij wil niet erkennen, dat die dokter gelijk had gehad.

De étalages in de winkelstraat worden beschenen door een warm rood licht, dat sprookjesachtig schijnt tegen de dwarrelende sneeuw. Hier en daar branden de electrische kaarsjes, onwezenlijk stil, tussen het sparregroen van een kerstboom. Overal zijn het rode linten en is er 't gladde groen van de puntige hulstbladeren. Roel kijkt er niet naar.

't Kèrstfeest komt. En velen zullen zingen van „Vrede op aarde".

Maar er is geen vrede in Roels hart.

Huiverend gaat hij de glazen deur van een café binnen, waar ook rode lichten lokken.

't Wordt avond.

Nog dwarrelt de sneeuw, 't Is stil in het dorp. Heel stil. Wie zal nü nog naar buiten gaan?

Morgen is 't Kerstfeest.

Wacht die stille witte wereld ergens op?

Sluiten