Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken land, die men polders noemt. — Men kan de plaatjes haast niet genoeg bekijken, hier zee, daar land! Als het hier niet heuschelijk te lezen stond, met de verzekering dat het stellig waar is, zou je het niet kunnen gelooven.

Eerste Straatlantarens. — Gasverlichting.

Heel lang geleden was het 's avonds, als de maan niet scheen, in de straten der stad zoo pikdonker dat men geen hand voor de oogen zien kon. — Die uitging of uit moest gaan liep gevaar armen en beenen te breken. — Men deed het dus zoo weinig mogelijk en moest men, dan nam men een brandende lantaren meê, zooals door den raad der steden meestal geboden werd. — Edellieden lieten zich door bedienden met fakkels voorlichten, llijke burgers volgden dat voorbeeld.

Foei, hoe akelig moet het toen 's avonds geweest zijn! — Een knap man, die al meer dingen uitgevonden had, namelijk de slangbrandspuiten, — Jan van der Heyden heette hij, — kwam op de gedachte om in de straten der stad, op tamelijk hooge palen, lantarens te plaatsen, om de stad zoo te verlichten. — Nu omtrent twee honderd jaar geleden verlichtte men op deze wijze, onder toezicht van Jan van der Heyden zelf, de straten van Amsterdam. — Maar, och! die olielampjes met hun somber licht achter de bewalmde glazen, wat brachten ze bedroefd weinig verlichting in de straten aan!

Later maakte men er eene groote verbetering in; men plaatste namelijk metalen platen achter de vlam om die te weerkaatsen en zoodoende te versterken. — De lantaren-opstekers, hoe vet ze ook van de olie waren, werden van dien tijd af de vrienden van alle fatsoenlijke en beschaafde menschen, maar wie denkt ge dat aan die lieden een hekel hadden ? Roovers, dieven en ander slecht gespuis; — die verwenschten de stads-verlichters omdat ze nu lang zoo vrij niet waren in hun slecht bedrijf.

Op de plaat bovenaan is een stadsplein te zien', dat op de genoemde wijze met olielampen verlicht wordt.

Somber, akelig niet waar? — en toen dachten de menschen dat ze het hierin al ver gebracht hadden.

Hoe weinig in tel zijn nu die walmende olielampen; zij zijn verhuisd naar de dorpen en kleine en vervallene steden, maar in de groote steden kunnen ze ons niet meer voldoen. — De lantaren-opstekers hebben het ook beter gekregen. Ze draaien

Sluiten