Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, onze gastheer heeft een goeden smaak," kreeg zij ten antwoord, „de wijn is uitmuntend en het diner zeer fijn," liet de spreker er op volgen, en hij smakte eens met zijn lippen. Eigenlijk had hij moeten zeggen: „ik houd niet van wijn en ook niet van al die liflafjes. Ik vind het heel akelig om kleeren aan mijn lijf te hebben en om zoo lang op één plaats te blijven zitten, maar dat zeide hij niet, want toen Fidel zijn gasten door den mooien knecht had laten vragen, had hij er bij laten zeggen, dat hij er op rekende, dat ieder zich zeer fatsoenlijk zou gedragen.

Nu, en dat deden ze dan ook. De heeren hadden de dames aan tafel gebracht, net op dezelfde wijze als zij dat dikwijls bij menschen-diners hadden zien doen en in het geheel aapten zij echte heeren en dames vrij wel na. Als de poesjes, die keurig netjes bedienden, vleescli of iets anders presenteerden, namen zij een heel klein stukje en lieten volstrekt niet blijken, dat zij liever den schotel geheel zouden willen uitlikken.

„Het ging alles zoo extra goed, dat eindelijk een der aanwezigen het woord vroeg en het voorstel deed om gezamenlijk te drinken op het welzijn van den gastheer, die door het geven van dit feest al de aanwezigen in de gelegenheid gesteld had om te toonen, dat zij net zoo goed waren als hunne meesters en meesteressen.

„Zijn onze dames," vroeg hij, „niet alle even keurig en naar den laatsten smaak gekleed ? en is er wel ééne aanmei'king te maken op de kleeding, het gedrag- of de manieren van de heeren ?"

o O

Terwijl de spreker op deze wijze voortsprak, — 't was een lange toast — zeide de buurman van Fidelia heel zachtjes: „mag ik eens op uwe gezondheid drinken, Fidelia, want gij ziet zoo bleek."

„Ja, dat komt omdat ik zoo bang ben," fluisterde Fidelia hem vertrouwelijk toe.

„Bang? waarvoor ?" vroeg hij, zette zijn lorgnet in het oog en keek eens rond.

„Ik ben bang voor den Bloedhond," zeide Fidelia en zij beefde over haar geheele lijf.

Zij had alle reden om bang te zijn, want de Bloedhond zag er werkelijk sints eenigen tijd vrij boosaardig uit en hij gaf zich niet de minste moeite om te verbergen, dat hij uit zijn humeur was.

Niemand lette daar in het eerstop dan Fidelia, maar toen de kalfskarbonade rondging, verschrikte ieder, want toen zeide de Bloedhond hardop tegen den knecht: „zeg eens, waar blijven al die lekkere kluiven ! Jullie geeft mij een stukje als een vingerhoed, dat begint mij te vervelen."

Sluiten