Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rok van zijn vader vervaardigd. De bodem is plat en zóó groot, alsof hij voor tafel dienen moest.

Overigens steekt de jongen zeer armoedig in de kleeren. Hier is een blauwe, daar weer een zwarte lap op zijn goed en verder weer een gat of een scheur.

Geen wonder ookl

De moeder van Gerrit is een arme weduwe, die bij de buren uit werken gaat, om zoo het brood voor zich en haar jongen te verdienen. Vaak is zij geheele dagen van huis.

Zijn vader is al jaren dood. Gerrit heeft hem ternauwernood gekend. Nu helpt Gerrit ook al kleine diensten verrichten. Hij doet boodschappen voor de buren en hoedt de éénige koe van zijn naasten buurman, den daglooner Willem De Rijk, langs de wegen en heggen en op de laagste plaatsen van de uitgestrekte heide, welke met gagelstruiken en hard gras bezet zijn. Daarmede verdient hij een maal eten, een afgedragen kleedingstuk of iets van dien aard, want het geld is zeer schaarsch in die buurt.

Aangenaam is het uiterlijk van Gerrit niet. Zijn hoofd is bijzonder groot en zijn rood gezicht zit vol zomersproeten. Zijn oogen staan gewoonlijk zoo wijd open, alsof hij over het een of ander erg verwonderd is.

Kousen draagt hij niet; wel een paar kapotte klompen. Hij is zeer bevriend met het zoontje zijner huurlieden, dat Jan heet, maar die, omdat het nog een dreumes is van zes jaren, in de wandeling Janneman genoemd wordt.

Gerrit moest Jan in den eersten tijd naar school brengen. De eerste schöolgang vooral bleek voor het kleine mannetje een zeer zware gang te wezen. Zoolang hij zijn lieve moeder nog op den landweg "kon zien staan en hem nakijken en met de hand toewuiven, om hem zoo nieuwen moed te doen scheppen, ging Jantje, als een groote jongen, heel parmantig aan Gerrit's hand voort.

Maar och! na eenige minuten maakte de landweg een draai. Verschrikt keek onze Jan om en zie! zijn moeder was uit zijn gezicht verdwenen.

Sluiten