Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hè, hoe heerlijk!" valt Gerrit nu in. „Dat zou nog de moeite waard wezen!"

„Nou, of het!" zegt Hein.

„Krijg ik ook wat?" vraagt de kleine Jan, die aan de hand van zijn "vriend nevens Bles voortdribbelt.

„Stellig!" verzekert Hèin.

De knapen reppen zich nu een poosje met de koeien voort,, want zij watertanden al naar de vruchten en de boterham, die ze straks denken te krijgen. Jan doet zijn uiterste best, om door het zwaaien met zijn mooien stok de beesten tot spoed aan te zetten.

Weldra hebben zij de afgesloten ruimte bereikt. Zij winden nu den koeien het touw geheel om de horens en laten hen vrij. Deze vinden 't natuurlijk zeer pleizierig, zoo geheel ongedwongen te mogen rondloopen. Zij stappen een poosje met den neus in de hoogte heen en weer, maar beginnen al spoedig het gras te beruiken en dan te grazen.

„Ze zullen mekaar toch niet stooten?" vraagt Gerrit bezorgd.

„Weineen!" antwoordt Hein. },Ze zijn al lang even goede maats geweest als wij tweeën. Zie, ze gaan immers al rustig aan 't vreten 1"

Gerrit schoof de groote blauwe pet wat naar achteren, iets wat hij ook onderweg al wel twintig maal gedaan had, want zij zakte hem telkens weer over de oogen. Hij keek zijn kleinen vriend aan.

„Ben je ook al moe geworden, Janneman?" vraagt hij goedig.

„Wel een beetje!" zegt het kind.

„Goed, dan gaan we even rusten daar achter die boomen op de hoogte."

Hein vindt dit goed, hoezeer hij ook naar de bessen en de lekkere boterham verlangt. En zoo zitten ze al gauw rustig nevens elkander, — de kleine Jan in het midden, — op het zachte dek van fijne naalden en hoog opgeschoten droog heidekruid. De takken der denneboompjes vormen een dicht net van onder tot boven en verbergen hen geheel, zoodat de koeien eens eventjes komen onderzoeken, waar hun geleiders zoo gauw

Sluiten