Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk, daar zag hij de deur opengaan, stil en langzaam: veel te stil en te langzaam 'om door kleinen Jan geopend te worden. En die kwam er dan ook niet uit, maar wel zijn vader.

Waarom ging vac^er De Rijk zoo langzaam en met het hoofd zoo voorovergebogen daarheen? Gerrit wist het niet, maar een onbestemde vrees kwelde hem. Hij was radeloos. Werktuiglijk herhaalde hij de woorden van zijn schrijfvoorbeeld:

„Een uur van onbedachtzaamheid Kan maken, dat men weken schreit."

De daglooner kwam langzaam op het beest toestappen. Hij klopte het op dén schouder en Blés lekte hem de handen.

Wat trok hij langzaam den staak uit den grond! Hoe traag en lusteloos verplaatste .hij hem! Daar sloeg hij hem weer met den houten ham'fer in den grond, maar 't ging alles zoo werktuiglijk; zoo zonder lust en moed.

Was de man zoo bedroefd en zoo moedeloos, alleen omdat Bles een horen kwijtgeraakt was.

Maar waarom, ach waarom kwam kleine Jan dan nu niet voor den dag?

„O!" dacht Gerrit, „als hij wist, welk een genoegen hij mij doen zou door zich ook maar heel eventjes te laten zien, dan wed ik zeker, dat hij komen zou, want hij was toch altijd zoo'n goede, goede jongen!

Maar als hij nu eens niet komen kon! Als hij eens zwaar ziek was! Of dood! 0!"

Het lichaam van den armen t.errit werd door hevige schokken overvallen; hij brak in luide, hartstochtelijke snikken uit.

Hoe gaarne, och hoe gaarne ware hij ook nu, als gewoonlijk, de sloot overgewipt, om een bezoek te brengen bij zijn vriendelijke buren, die altijd zoo goed voor hem geweest waren en hem, — den hal ven wees, — behandeld hadden als hun eigen zoon; die zijn moeder zoo menigmaal liefderijk hadden voortgeholpen, wanneer zij in bitteren nood had verkeerd.

Hoe had hij zooveel goedheid vergolden?.... Hun eenige koe had hij slecht opgepast en hun dus een schade berokkend,

Sluiten