Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben me gekrabd! Ze hebben me met de snavels gepikt! Foei, hoe gehavend zie ik er uit! Het roode bloed bevuilt mijn mooie veeren aan kop en hals! Eigen schuld! Allemaal eigen schuld! Wat doe ik mij ook over dag te vertoonen! 'k Had immers van te voren kunnen weten, dat dit niet goed zou afloopen! Uhu! pieuw-pieuw! Eigen schuld! Eigen schuld!"

Eigen schuld! Ja, daarvan spraken nu den armen knaap alle stemmen der natuur.

Dat verwijl klonk hem tegen uit iederen boom; uit iederen struik. Zelfs het beekje, welks water tusschen het lies en riet voortvloeide, altijd door maar voort, — het prevelde al ruischend en murmelend, zoo diep weemoedig van eigen schuld en te laat berouw.

Helder stond weer de zon te stralen aan den onbewolkten hemel. Zij deed ook weer het huisje van den daglooner de Rijk blinken in een zee van licht. En niettemin bleef daar de deur gesloten. Alles was er stil en het bleef er stil. 't Scheen wel, of het huisje was uitgestorven.

Hoor! Daar verhief een leeuwerjik zijn lied.

Wat zong die leeuwerik?

„Vreugde en genot schenkt mij het leven. Tot zingen word ik gedrongen iederen dag.

Rust in het hart Weert kommer en smart.

Ik ken geen verdriet;

Dus zing ik steeds weder mijn vroolijkste lied.

Hoe groot of hoe klein: wie gelukkig wil heeten,

Zij rein van gemoed en gerust van geweten!"

„Tjilp! pink! pink!" aldus liet zich nu een vink liooren: „Klein ben ik ook, maar niettemin heb ik vreugde in het leven en niemand kan gelukkiger zijn, dan ik. Voor niets ter wereld zou ik die groote jongen willen zijn, want dat die niet gelukkig is, kan men hem wel aanzien! Eigen schuld! Tjilp! pink! pink!"

Er gluurde een kleinec mees uit een hollen knotwilg, waarin zij haar nest vol roodgespikkelde, kleine eitjes had. Schalks

Sluiten