Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een betere woning in het dorp te betrekken, doch dat heeft zoo niet mogen wezen. Na je vaders dood, toen ik geen suiker meer bekostigen kon, bewaarde ik niettemin de appels zorgvuldig in een ton, welke voor het overige met scheven gevuld was1).

„Als het dan weer voorjaar werd, waren ze zacht en lekker geworden, gelijk je bij ondervinding weet."

„En waar staat die ton met appelen, moeder?" vroeg Gerrit eensklaps.

„Ja," zeide de moeder glimlachend, „zoo vraagt men den boeren de kunst af. Jij kunt die ton toch niet vinden, zoodat ik je raden zou, er maar niet naar te zoeken. Zoo nu en dan krijg je er eentje van; de andere zijn bestemd voor zieke menschen. Het gebeurt maar heel zelden, dat ik zelf er een opeet. Die wat spaart, die wat heeft. Je weet wel, jongen: lekker is maar een vinger lang. En maat baat, overdaad schaadt."

Gerrit begreep zeer goed, dat hij bij zijn moeder niet verder behoefde aan te dringen, want dat dit toch niet helpen zou. En toch zou hij zoo gaarne een paar appels gehad hebben, om ze den kleinén Jan te brengen, die nu zeker ziek was en van lekkere appels misschien beter zou worden.

Toen de eenvoudige maaltijd was afgeloopen. zocht Gerrit nog eens de bessestruiken voor de woning af, doch er waren maar enkele vruchtjes meer te vinden, te weinig, om die zijn vriendje aan te bieden; derhalve at hij ze zelf maar op.

Moeder vermaande hem kort daarop, om goed op het huis te passen en vooral geen vuur aan te steken, omdat daarvan zoo licht ongelukken kunnen komen.

Toen spoedde zij zich naar het dorp, om in de kerk de middagpreek bij te wonen.

Het begon al tegen den avond te loopen, toen de moeder van Gerrit weder terugkwam. Zij was eers't naar de kerk geweest en had daarna nog een paar goede kennissen in het-

') Scheven noemt men de houtachtige deelen der vlasplant, die bij het braken — breken — van het vlas verwijderd worden.

Sluiten