Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hier in de streek is de jongen nergens te vinden!" verzekerde de vader van Hein Sterk. „Van avond kunnen we niets meer voor je doen, buurvrouw, hoe gaarne we dit ook zouden willen, 't Is echter een zonderling geval en ik moet zeggen, dat ik er niets van begrijp I"

„Morgen vroeg," -— dus ging Tiij voort, — „moet ons onderzoek weer van voren af aan beginnen, tot wij weten, wat er met den armen jongén gebeurd is!"

De andere buren vonden dit ook verstandig gesproken en derhalve wenschten zij de moeder van Gerrit en ook elkander een goeden nacht en gingen heen.

De arme weduwe dwaalde nog een geruimen tijd eenzaam en verlaten om haar kleine woning.

Radeloos van smart en droefheid ging zij eindelijk naar binnen.

Daar zat zij nu alleen. Buiten stonden duizenden sterren aan den hemel te schitteren; daar ruischte de zoele zomerwind door het frissche groen en het. geurige loover; de beek kabbelde en haar golfjes vloeiden zoo rustig daarheen, — altijd maar

voort maar de arme weduwe kon dit geen troost geven.

Groote tranen biggelden haar langs de wangen.

Doch terwijl zij daar zoo zat in het kleine vertrek, waar hot al meer en meer duister werd, was het haar opeens, alsof zij boven haar hoofd eenig gerucht hoorde!

Zou de kat op den zolder zijn ? Maar poes zat naast haar op een stoel zacht te spinnen!

Wat kon dat geluid wezen? Dieven? Maar wie zou er bij zoo'n arme vrouw iets komen stelen?

Zou het misschien .... ?

De vrouw stond op en met de handen op de tafel leunende, luisterde zij met het hoofd wat ter zijde gebogen scherp toe.

Werd daar geroepen? Een dof geluid, alsof iemand zwak om hulp riep, klonk haar tegen. En het geluid kwam van den zolder i

Zou Gerrit daar ?

Haastig stak de vrouw een lantaarn op en liep toen naar de ladder die in de gang stond en naar den zolder voerde.

Sluiten