Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlak tegenover de dagloonerswoning een karretje, met achterover geslagen zwarte kap?

Gerrit kende dat rijtuigje maar al te goed. 't Was dat van dokter. De kleine Jan moest dus ziek zijn. Ach ja! en hij was erg ziek ook, want anders zou men niet om den dokter gestuurd hebben.

Gerrit wachtte zoolang, tot de dokter weer wegreed. Als een dief sloop hij een weinig later de achterdeur binnen.

Jan's moeder bevond zich juist op de deel. Zij zag er zeer bedroefd uit.

„Hier is een appel voor Janneman!" ^eide hij en begon toen te snikken.

„Zoo Gerrit. ben jij daar?" vroeg de dagloonersvrouw en zag hem met haar zachte oogen zoo treurig verwijtend aan.

„O," — riep zij schreiend uit, — „waarom heb jij niet ge>zegd, dat ons kind in het water gelegen ihad en dat zijn kleertjes doornat waren? Waarom heb je hem zelfs, door hem een knoop te geven, overgehaald om dat ongeluk voor mij te verzwijgen? Nu ligt hij met zware koortsen te bed; en de dokter vreest, dat hij ev niet weer van opkomen zal. O, Gerrit, als hij sterft, zal het jou schuld wezen!"

„Nu slaapt onze lieve, kleine jongen een weinig!" vervolgde zij stil schreiend. „Hij moet de grootste stilte om zich heen hebben, zoodat je hem nu niet moogt zien en spreken. O, ik heb juist een gevoel, alsof Zaterdag een ware ongeluksdag Yoor ons geweest isl"

Zoo klaagde de diep bedroefde vrouw.

De arme jongen, die de oorzaak was van al dit leed en dit groote verdriet, kreeg luid snikkend het touw van den spijker in een hoek van het achterhuis,- strikte het den hongerigen Bles van boven om den kop en toog met het gewillige beest de staldeur uit.

Ditmaal sloeg hij een eenzamen, smallen landweg in, want hij wenschte niemand, zelfs zijn vriend Hein niet, te ontmoeten.

„Eigen schuld!" klonk het in zijn binnenste.

„Eigen schuld!" prevelde hij telkens weder.

Sluiten