Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, wat viel hem nu de tijd verschikkelijk lang!

Het leven was hem onder deze omstandigheden haast onverdraaglijk.

Zoo deed hij al weder zijn werk slecht, in plaats van, door de ondervinding geleerd, zijn uiterste best te doen.

Telkens weder moest Bles hem met haar glimnienden snuit in den rug duwen, om hem zoo te noodzaken voort te gaan.

In plaats, dat hij de beste plekken opzocht, waar zij zou kunnen grazen, dacht hij er alleen maar aan, om de menschen te vermijden.

Hoe menigen guren, regenachtigen dag, waarop hij gestadig had moeten heen en weer stappen en trappelen om warm te blijven, had hij toch met genoegen zijn eentonig werk verricht, want hij was toen tevreden over zich zelve geweest en wist, dat hij niemand verdriet of kommer veroorzaakt had. De gedachte aan de vriendelijke gezichten, die hem na gedaan werk zouden tegenblinken, had hem koude en ongemak doen vergeten. Hij had gezongen en gefloten, ook al kweelde er nergens een vogel en al gluurde geen enkele zonnestraal bemoedigend door de donkere wolken naar beneden. En nu?

Alles schitterde van licht! Alles zong! Niet alleen de vogels brachten zoete geluiden voort; ook de geurige, zoele zomerwind deed het, terwijl hij heenspoedde door het frissche, jonge loover; ook de kleine beek deed bet, terwijl zij haar kristalheldere golfjes al kabbelend en stoeiend voortstuwde, — altijd maar voort.

Maar Bles; anders zoo gevoelig voor "het licht en het leven der natuur, scheen zich nu over baar leelijk uiterlijk te schamen en liep druilerig achter haar herder voort, hem nu en dan met den breeden snuit een duwtje in den rug gevend, alsof zij zeggen wilde:

„Domme jongen, ga toch voort! Hoe zou ik hier kunnen grazen, waar geen enkel grassprietje te vinden is?"

En Gerrit?

Hoe zou Gerrit in de vreugde hebben kunnen deelen, gekweld dooi te laat berouw ?

Sluiten