Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij schudde bedenkelijk met het hoofd.

„Als je uw kleinen vriend nog gaarne eens zien wilt, mijn jongen, dan zou ik maar dadelijk gaan!" zeide hij vriendelijk. „De kleine' Jan is zwaar ziek!"

Gerrit nam eerbiedig de zware pet voor den geneesheer af en ging toen zwijgend en met hangend hoofd zijn armoedig huisje binnen, om aan zijn moeder te vragen, of hij gaan mocht. Deze, die nu de oorzaak der ziekte van den kleinen Jan wist, haalde een paar van de mooiste appelen. „Daar!" — zei ze, — „breng hem die. Het is het eenigste, wat gij hem nog kunt geven. Maar och! ik vrees zoo, dat hij ze niet meer zal kunnen gebruiken! Nu moet je maar dadelijk gaan, mijn arme jongen!"

Hoe klopte onzen Gerrit het hart in de keel, terwijl hij de hem zoo bekende woning zijner goede baren binnentrad.

Hij deed dit zóó zacht, dat Jan's vader en moeder hem niet bespeurden, eer hij vlak voor hen stond.

„Arme jongen!" zei de daglooner zacht en op een deelnemen: den toon, „je komt zeker, om uw vriendje nog eenmaal te zien!' Nu, dat is goed! Hij heeft altijd zooveel van je gehouden en nu in deze ziekte noemde hij in zijn droomen telkens jou naam en dan glimlachte hij."

Gerrit barstte bij deze vriendelijke woorden, die hem een grooten troost gaven, in luide snikken uit.

De moeder zat voor het bed.

Zij hield een handje van haar lieveling met haar trouwe hand omsloten en verborg het beschreid gelaat in het kussen, waarop haar lieveling lag te sluimeren.

„Och!" zuchtte de bedroefde vader, toen Gerrit de medegebrachte appelen voor den dag haalde, „onze arme jongen zal die mooie appelen wel niet meer kunnen opeten. Maar als hij wist, dat je ze voor hem had meegebracht, zou hij het toch zeer vriendelijk van je vinden, Gerrit, wees daar zeker van!"

Wat was de kleine Jan droevig vermagerd!

Hoe doodsbleek was zijn vriendelijk gezichtje! Wat een scherp neusje had hij gekregen en hoe snel haalde hij adem!

„O mijn lieve, goede Janneman! wat spijt het me toch, je

Sluiten