Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo te moeten zien! Mijn arm, lief, klein vriendje!" Meer kon de arme jongen niet uitbrengen.

Hij legde de beide mooie appelen op het hoofdkussen, vlak bij het vermagerde gezichtje.

Het zieke ventje haalde nu diep adem. Blijkbaar deed de geur der vruchten hem goed. Zie, daar opende hij de oogen! Hij sloeg die kwijnend op en keek zijn vriend aan.

„Mijn beste Janneman! Ik ben het! Gerrit! Je kent me toch nog wel?"

Een glimlach van blijde verrassing vloog.over het lieve gezichtje! In spanning stond ons drietal deze verandering aan te zien. Het was Gerrit, die het eerst weer aldus begon te spreken:

„Wat een knappe, groote jongen ben je toch! En je wordt stellig ook gauw weer beter!"

En door zijn tranen heen lachte hij zijn vriendje toe. Weer glimlachte, de kleine.

„Gerrit moet bij mij blijven!" zeide hij zacht.

„Ik blijf bij je, tot je weer beter bent!" verzekerde Gerrit; en zijn gezicht werd vuurrood van aandoening.

Wat niemand meer durfde hopen, gebeurde.

De ziekte had een keer genomen. De kleine Jan begon langzaam aan weer op te leven. Van dien tijd af werd hij beter en sterker, en eenige weken later zag. men hem weer spelen en dartelen, even vroolijk als voorheen.

Dat Gerrit en hij steeds vrienden zijn gebleven, behoeft zeker niet te worden gezegd. Maar toch vergat de eerste nooit, hoeveel verdriet hij zich zelf en anderen had veroorzaakt, en meermalen hoorde men hem zeggen:

„Een uur van onbednchtzaamheid Kan maken, dat men weken schreit!"

Sluiten