Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de donkere oogen, in de tweede bank, zeide niets. Het zat stil, verlegen voor zich uit starend, de handjes stijf gevouwen op den lessenaar.

Dat is er eentje, die moeielijker wennen zal, dacht Juffrouw Stolle, en vroeg vriendelijk: „Wel, jij heet Nanny, is het niet?"

Het kind knikte van ja en zag de juffrouw angstig aan. Men kon zien dat zij niet gewoon was in eene vreemde omgeving te zijn. Er zijn van die kinderen, die zich overal dadelijk „thuis" gevoelen; hun vroolijk gesnap en ongedwongen bewegingen worden door iedereen aardig gevonden. Ze zijn wèl te benijden, want ook als zij grooter worden, zullen zij zich overal flink en ongedwongen voor kunnen doen.

Maar er zijn ook andere kinderen, die bij vreemden verlegen en onbeholpen rondkijken, niet durven praten en zich in vreemd gezelschap liefst zoo dicht mogelijk bij moeder of een bekend persoon houden.

En tot de laatsten kon men al dadelijk merken, dat de kleine Nanny behoorde. Het was een zielig kindje, dat daar tusschen al die vroolijken inzat en op de vragen der juffrouw slechts met een ja- of neenknik antwoordde. Juffrouw Stolle begreep, dat zij onmogelijk eenig geluid uit de stijfgesloten lipjes kon krijgen; ze staakte dus haar gevraag, en draaide zich naar het bord om eenige letters en woordjes, de eerste beginselen van haar onderwijs, op te schrijven. De andere kinderen stootten elkander aan en begonnen zachtjes te lachen.

Sluiten