Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeiden dat hij een ontslagen Boeddhistisch prediker was. Die veronderstelling was niet zonder grond, want hij had iets priesterlijks in zijne manier van spreken en handelen, iets Boeddhistisch in zijne sombere levensopvatting, in zijn leer en voorbeeld van geduldig, zachtmoedig lijden, in zijn leven van zelfverloochening en onuitputtelijke zorg voor menschen en vooral voor dieren. Hij had de dorpsbewoners dikwijls geholpen, had de zieken verpleegd, en stond bekend als een wijs man, bij wien men altijd om raad kon komen, iemand die in ontwikkeling en menschenkennis hooger stond dan de onontwikkelde, bijgeloovige dorpelingen en daardoor voor hen als iets geheimzinnigs gold. Hoewel hij bij hen bemind was, waagde niemand het, om na zijn dood het huisje, waarin hij geleefd had, te bewonen. Dit stond een goed eind buiten het dorp, aan den rand van een donker pijnbosch. Men vond er na zijn dood slechts een veldbed, eenige van ruw hout zelf vervaardigde meubelen, een paar oude, geel geworden boeken en timmergereedschap. Dat was zijne geheele bezitting geweest.

Mevrouw Rogers had in de stad nog niet veel kennissen gemaakt en daardoor kwam Nanny maar zelden met andere kinderen in aanraking. Daarbij kwam nog de groote angst der moeder voor haar eenige lieveling. Wilde, luidruchtige spelen, die voor kinderen altijd een genot zijn, had Nanny nooit mogen doen. Wanneer zij speelde, was dat altijd op kalme manier, met poppen, legkaarten of prentenboeken. Zoo was zij geworden tot een kalm, vroeg-wijs kind, met

Sluiten