Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wo wie ein unergründlich Meer,

Ein Kindesauge blaut,

Hast du dem Herrn, o schaue her! Ins Auge selbst geschaut.

Ein Kindesblick, ein Bliek des Herrn,

Vor dem das Herz erschrickt, Ein Bliek des Herrn, ein Friedensstern, Der Trost und Ruhe blickt.

W. Wackernagel.

Een maand was voorbijgegaan. De zon scheen nu minder vriendelijk dan op dien eersten schooldag in September; zij kwam weinig meer te voorschijn en meestal begeleid door hevige najaarsstormen! De boomen onttakelden meer en meer: gele, bruine en bonte bladeren dwarrelden in het rond en bedekten den grond met een bruinrood fluweel tapijt, waarover van tijd tot tijd een matte bleeke zonnestraal gleed. Alles zag er zoo moede, zoo stervende uit in de natuur, als wilde zij den mensch toeroepen: „Ziet, hoe alles en iedereen zijn voorjaar, zijn zomer en zijn herfst heeft; hoe alle menschen en alle dingen een tijd van opkomst, bloei en verval hebben! En de herfst is de voorbode van den winter, en na den winter komt het voorjaar weer. Zoo wisselt steeds alles, zoo rolt de tijd verder en spoedt het leven voort. En meestal vertoonen

Sluiten