Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het midden stond een groote, ronde tafel, daarboven hing een vroolijk-brandende lamp en rondom stonden de aardige, grappige poppenmeubeltjes. En ze zag zichzelve en de zusjes in witte nachtponnetjes, des avonds, vóór het naar bed gaan, ronddansen en wedijveren om op vaders rug te klimmen en, zóó hoog gezeten, de kamer rond te gaan, hetgeen iederen avond gebeurde.

Maar boven alles zag zij in die oogenblikken een paar van genot stralende oogen, die aan het geheel nog helderder licht gaven dan de lamp: het waren de oogen harer moeder! En die vriendelijke oogen zag zij telkens weer voor zich, het was alsof hun glans haar altijd vergezelde.

In de donkerste en droevigste oogenblikken van het leven blijft daar altijd een lichtend punt, een helder wolkje aan den donkeren hemel: dat is de herinnering aan tooneeltjes uit de kinderkamer, aan den blijden, onbezorgden kindertijd. De jonge, reeds zoo vroeg met smart bekende vrouw, was dankbaar voor die gelukkige herinneringen.

Menigmaal vergeleek zij haar eigen vroolijke jeugd bij die harer kinderen, en er kwam dan eene groote droefheid in haar hart bij de gedachte, dat de laatste lang niet zóó zonnig en kleurrijk was als de eerste. Helaas! zij kon haar tweetal slechts van haar rustbank gadeslaan, slechts van daar af hun jonge leven besturen; zij moest altijd zwak nederliggen, terwijl zij andere moeders zoo blij met hare kinderen zag wandelen en spelen.

Hoe gaarne zou zij dat óók doen! Ja, wèl was het hard voor haar, te weten, dat zij haar kinderen altijd ten

Sluiten