Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deele aan vreemde hulp zou moeten overlaten, terwijl ook geen vaderoog over hen waakte; haar zoon zou den zoo onontbeerlijken vaderlijken raad nooit kunnen inroepen.

En toch waren ze altijd zoo blij, zoo gelukkig, dat aardige tweetal, Ella en Frits. Ze deden altijd zoo gedwee wat hun gezegd werd, en moeders wensch was hun gebod. Helder en vroolijk klonk hun lach en gebabbel in de ziekenkamer, waar bij hun binnentreden alles zonnig werd. Met hen toch viel ook een van die gouden stralen in het vertrek, die hunne gezichten deed stralen en ook dat der moeder verhelderde.

Daar was Frits, een groote, stevige knaap van negen jaar, die nu al drie schooljaren achter zich had, en met zijn open, frisch jongensgezicht, waarin een paar levendige oogen staken, haar alle schoolgrappen en ondervindingen, vol van het gewicht harer belangrijkheid, vertelde. En daar was Ella, die nu naar school ging en verlangend plannetjes maakte.

Zij waren gewoon alles aan moeder te vertellen; de eerste gang bij hunne thuiskomst was altijd naar haar kamer, want zij deelde in al hunne vreugde en hun kinderleed en volgde hen in gedachten overal. Zij waren haar alles: de bron van haar geluk, het licht dat over haar leven straalde en waardoor dit zoo groote waarde voor haar bezat. Want naaste familieleden bezat zij niet veel; na den dood harer ouders was het vroolijk kringetje van broers en zusters langzamerhand uit elkaar geraakt; de broers waren de wereld ingetrokken en hadden zich in andere

Sluiten