Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kaatje had de geheele geschiedenis van het huis meegeleefd en meegeleden; als kind van veertien jaar was zij er als loopmeisje begonnen en nu op haar zestigste jaar had zij het bestier over de huishouding. Want Mevrouw Knozee kon zich er niet mee bemoeien en liet het gerust over aan Kaatje, die haar steeds diende met de vaste trouw van haar liefhebbend, oud hart.

Een flinke klop op de deur, een zacht „ja" ten antwoord, en Ella stapte met een stralend gezichtje moeders kamer binnen.

Na een hartelijke omhelzing zette zij zich op haar lievelingsplekje, tusschen de rustbank en het raam in, neer, en begon druk te vertellen van haren eersten schooldag.

Vooral van Nanny vertelde ze veel, ja sprak zelfs van haar als van haar „vriendin"!

„Weet u, waarom ik zooveel van haar houd, moesje?" riep ze vol vuur uit, „omdat de anderen haar allemaal uitlachen; ze is niet zoo vlug en kan zich niet verweren als zij haar plagen, en u heeft me toch geleerd, dat men de zwakken beschermen moet, is het niet?"

Mevrouw Knozee wierp een gelukkigen blik op haar kind, en zeide: „Ja zeker, Ella, je moet nooit vergeten, dat zij het niet helpen kan dat zij zwakker is dan de anderen, en je moet altijd aan de overigen toonen, datje graag met haar omgaat. Zal je dat?"

„O, mama, ik houd nu al veel meer van haar dan van een van die anderen. U zult haar ook zeker heel aardig vinden. Mag zij eens gauw hier komen?"

Sluiten