Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid dadelijk week, en het gewoonlijk zoo schuchtere kind, dat zooveel moeite had gehad om op school te wennen, en het altijd angstig vond om daar iets te zeggen, voelde zich in deze stille, vriendelijke kamer dadelijk thuis en zat, naast Ella, tegen de rustbank aangeleund, Mevrouw Knozee op haar aardige manier te vertellen, gelijk zij dat thuis ook zoo gezellig doen kon.

Na dien eersten keer kwam zij dikwijls terug; het hoekje naast de rustbank werd ook voor haar een geliefkoosd plaatsje. Zij hield veel van Ella's lieve mama, die zoo aardig met haar praatte en die met zachte, vriendelijke stem zulke mooie verhalen vertelde.

Mevrouw Knozee was ook zeer ingenomen met het kleine meisje en was blij dat zij Ella's vriendinnetje was. Zij vond het prettig, om de kinderen, terwijl zij speelden, gade te slaan. Bij goed weer speelden zij meestal Zaterdagsmiddags in den tuin. Frits bracht dikwijls een vriendje mee en het viertal vormde dan een aardig, vroolijk groepje om naar te zien. De jongens groeven dan een diepen kuil in den grond en maakten daarin eene vesting; de meisjes waren de vijand en trachtten de vesting te veroveren.

Onder de breede takken van den kastanjeboom zat Kaatje met haar naaiwerk en hield de wacht. De oude oogen wierpen van tijd tot tijd, over de groote brilleglazen heen, een gelukkigen blik van het spelende troepje naar het raam der bovenkamer, en die blik werd dan vriendelijk lachend beantwoord. Hij scheen te vragen: ziet ge wel, hoe vroolijk en gelukkig uwe kinderen zijn?"

Sluiten