Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, Nanny," lachte mevrouw, verrukt over die kinderlijk onschuldige vraag.

„Is de hemel ver-af, Mama? Ik zou toch zoo graag eens even zien hoe engelen er uitzien!"

Ze ziet er zelf uit als een engeltje, dacht Mevrouw Rogers, en antwoordde: „Ja, heel ver, Nanny; heel onbereikbaar ver!"

De donkere oogen blikten naar boven, naar de grijze, volle lucht, waaruit telkens weer dikke vlokken neervielen.

„Kijk, Mama," zei het kind nu weer, „wanneer men twee hooge ladders op elkaar bond en daarop klom, dan zou men toch op het laatst wel in den hemel komen! Wat zal het daar mooi zijn! In het verhaaltje stond ook, dat een paar engeltjes op de harp speelden, terwijl de anderen aan het strooien waren!"

Liefkoozend trok mevrouw het kind op haar schoot. „Neen, Nanny, al bond-je nog zooveel ladders op elkaar, den hemel zou je toch niet kunnen bereiken; dat kan niemand, kind! Ga nu gauw je plakalbum halen, anders is daar geen tijd meer voor!"

Met een bedrukt gezichtje en eene half peinzende uitdrukking in de mooie oogen, waaraan men zien kon, dat zij haar plan, om dien mooien hemel te bereiken, nog lang niet kon opgeven, gehoorzaamde het kind en ging naar de kast, om het plakboek op te zoeken.

Die eerste groote vraag: „Waar komt alles vandaan? Waar komen sneeuw, regen, zonnestralen, licht vandaan?

Sluiten