Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tast, wanneer zij het kind begint bezig te houden, ook iets van de kinderlijke onschuld aan. Gelukkige kinderen, die door hunne moeders hierover bevredigd worden, wier kleine, zich ontplooiende ziel door zachte hand is gevormd en gereed gemaakt om ze ten goede uit te werken, zoodat het kind toch „kind" kan blijven. Want op die eerste vraag volgen er zoo vele; steeds komen er meer het vroolijke, jonge gemoed beknellen en het gaandeweg tot ontwaken brengen!

Nanny kwam aan de tafel zitten met plakboek, lijm en penseel.

Het was hare geliefkoosde bezigheid, de plaatjes uit te zoeken, ze dan in het album te rangschikken en op te plakken. Dien ochtend was zij er echter niet zoo in verdiept als anders, telkens dwaalden hare oogen af naar het raam, naar de voortdurend vallende vlokken. „Mama," klonk het na een poosje weer, „zou ik nu toch heusch die engelen nooit kunnen zien? In het verhaaltje zijn ze toch wel gezien! Kijk, de hemel lijkt nu toch niet veel hooger dan de groote kastanjeboom in den tuin, en zulke hooge ladders bestaan er toch ook wel."

„Neen, Nanny, de hemel is veel hooger; kom, geef mij nu een kus en denk eens aan andere dingen, kind!"

Er werd aan de deur getikt, die, zonder dat er op het gebruikelijke „ja gewacht werd, openging en waardoor vier vroolijk stampende kindervoeten binnentraden.

Het waren Ella en Frits, beiden in donkerblauwe, hier en daar nog met sneeuwvlokken bedekte, capes gehuld,

Sluiten