Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paradijs der kinderjaren; de mensch moet opwaarts, naar den verren hemel klimmen, indien hij iets bereiken wil.

En ieder menschenkind blikt naar boven, wil weten wat daar, verheven boven de wereld van menschenlijden, menschenvreugde en menschengedachten, te vinden zal zijn.

De hooge torens der kerken, wier spitsen zoo waarschuwend naar boven wijzen; de bergen, op wier kruinen men ruimer, zuiverder adem haalt, zijn zij niet gidsen voor ons, kleine menschen, om ook onzen weg naar boven te zoeken? Doch de ladder is steil en moeilijk, en niemand klom hoog zonder veel moeite en veel zwaren strijd. En hoe hooger een mensch klimt, des te hooger wordt ook de ladder en steeds verder-af schijnt het eindpunt hem. Sommige menschen blijven staan op de eerste sporten,, anderen gaan hooger, enkelen zelfs met overhaasten spoed vooruit: zij wekken daardoor de verwondering op der achterblijvenden, tot — plotseling de voet uitglijdt en zij opnieuw moeten beginnen.

En weer anderen gaan gestadig, langzaam-aan, maar zeker. De jaren gaan voor hen voorbij, stille, vredevolle jaren zijn het, of drukke, moeilijke, vol strijd, waarin het karakter zich vormt, waarin zij langzaam maar zeker opwaarts klimmen.

Dat voortdurend „klimmen" noemen de menschen: streven naar een doel, een ideaal, want wat daar aan het eind der ladder geschreven staat is: „Volmaaktheid."

De menschen streven naar volmaaktheid. En zij, die het hoogst geklommen zijn, de verhevene, edele karakters,,

Sluiten